Lichtland's koning looft geloftes aan verklikkers uit.
Dat houdt hem op zijn troon, dat weet iedereen.
En daar iedereen het vreest doet iedereen eraan mee.
Doet iemand niet mee, komt de vorst dat wel ter ore.
Nu hebben we iets ontdekt hier in ons Lichtland.
Ik schrijf nu "we" -dat is misschien precies
wat we ontdekt hebben, nog niet eens zo heel
lang geleden, maar ja, wat wil je met zo'n heerser?
Oh, als dit schrijven, wanneer, dan toch hopelijk
wel dát het komt in juiste handen, de juiste tijd!
Als licht kan duister even zeer verblinden.
Of wij nu licht of duister zijn, wij denken allebei.
Daarnaar streven wij
daarom zullen wij,
spoedig wellicht,
gaan strijden.
We hebben nog niet eens een vlag,
en als, dan is het onze lach.
Ons tandvlees ontbloot
op bijzondere momenten.
Te vaak is die lach gaan vervagen.
Op dat wij hem blijven dragen,
ook, juist op verblindende dagen
als deze.
Dat ik dit ooit, verweerd, terug
mag lezen.
pepé: lettermenger.
woensdag 13 juni 2012
Waar is Charlotte?
Achter vier zwarte lijnen tekenden zich haar irissen af.
Meestal had zij haar ogen neergeslagen.
Ook tijdens wanneer zij eens sprak.
Of ze staarde erbij naar een voor ons onzichtbare verte.
Haar paar juwelen hadden meestal wel kleur.
Vaak paars of indigo. Soms dennengroen.
"Ze heeft mijn verkruimelaar nog," zei jij nu, al starend.
Jij staarde nooit zoveel, was meestal onze plannenbron, maar die leek aardig drooggevallen.
Ik wist zelf niet goed hoe of wat.
Niet echt iemand te bellen.
"Ik zou d'r vader niet eens durven te spreken," raadde je mijn gedachten.
Hadden we vaak. Met Charly ook.
Ik pakte mijn wiet uit mijn blikje uit mijn tas. Jij keek.
"Nóg één?"
"En waarom niet?"
"Dat wordt onze derde van vanochtend."
"Alsof die invaller dat merkt. Hij kent onze namen na drie weken niet eens."
"Ik kan zo echt niet meer naar economie toe, Juul."
Je keek me er smekend bij aan.
En zag ik iets glimmen in je linker oog?
Ik vroeg je er niet naar.
We zagen ze van mekaar. Dat wisten we nu wel.
"Misschien staat ze voor de HappyHigh," zei ik, al wisten we allebei dat ze daar nooit in haar eentje zou gaan staan.
"Laten we kijken," probeerde jij gedreven te klinken.
"Eerst even deze af."
Jij zuchtte toen je mijn vorderingen had gecheckt.
Er lag al vloei, maar 't tipboekje moest ik nog pakken.
"Laat mij de tip doen."
"Gaat het niet snel genoeg?"
"Vind ik leuk, weet je toch. Heb ik ook wat te doen. Gaan we echt niet naar die eikel? Heeft ze jou ook verteld over Maus?"
"Maus?"
Ik legde de tabak in kegelvorm op de lange vloei en draaide daarna het wietzakje uit de muis van mijn hand tevoorschijn. Buiten bouwen was een kunst op zich.
"Die van Bianca?" bleef ik naar de joint in wording kijken.
"Ja."
"Nee."
"Juul."
"Britt."
"Juu-huul."
Ik keek op.
Je gaf me het tipje.
Zo mooi als jij, had ik ze niemand anders nog zien maken.
Jongens waren sowieso van rauw, rechttoe rechtaan.
Maus.
Hij zou...
Bianca was pas weken later weer op school.
En de oude was ze sinds die tijd nooit meer geweest.
Zij zat een klas hoger dan wij.
Ik rolde, likte, keek naar jouw zich om elkaar heen draaidende vingers voor je zwarte jurk en haalde mijn aansteker uit het blik.
Terwijl ik het wat dun uitgevallen jointje met perfecte tip aanstak, eraan hees, naar verderop keek, was het hooguit nog tien stappen:
"Charly."
Haar ogen controleerden het trottoir voor haar.
"Pass mij die joint, we moeten zo naar Dooiekont."
"Wil jij echt?" vroeg jij.
Je was tegen het muurtje aan gaan zitten.
"Hij heeft een taart voor Roy bij zich. Als het goed is."
Ik passte Charlotte de joint en blies de rook uit.
pepé: lettermenger.
Meestal had zij haar ogen neergeslagen.
Ook tijdens wanneer zij eens sprak.
Of ze staarde erbij naar een voor ons onzichtbare verte.
Haar paar juwelen hadden meestal wel kleur.
Vaak paars of indigo. Soms dennengroen.
"Ze heeft mijn verkruimelaar nog," zei jij nu, al starend.
Jij staarde nooit zoveel, was meestal onze plannenbron, maar die leek aardig drooggevallen.
Ik wist zelf niet goed hoe of wat.
Niet echt iemand te bellen.
"Ik zou d'r vader niet eens durven te spreken," raadde je mijn gedachten.
Hadden we vaak. Met Charly ook.
Ik pakte mijn wiet uit mijn blikje uit mijn tas. Jij keek.
"Nóg één?"
"En waarom niet?"
"Dat wordt onze derde van vanochtend."
"Alsof die invaller dat merkt. Hij kent onze namen na drie weken niet eens."
"Ik kan zo echt niet meer naar economie toe, Juul."
Je keek me er smekend bij aan.
En zag ik iets glimmen in je linker oog?
Ik vroeg je er niet naar.
We zagen ze van mekaar. Dat wisten we nu wel.
"Misschien staat ze voor de HappyHigh," zei ik, al wisten we allebei dat ze daar nooit in haar eentje zou gaan staan.
"Laten we kijken," probeerde jij gedreven te klinken.
"Eerst even deze af."
Jij zuchtte toen je mijn vorderingen had gecheckt.
Er lag al vloei, maar 't tipboekje moest ik nog pakken.
"Laat mij de tip doen."
"Gaat het niet snel genoeg?"
"Vind ik leuk, weet je toch. Heb ik ook wat te doen. Gaan we echt niet naar die eikel? Heeft ze jou ook verteld over Maus?"
"Maus?"
Ik legde de tabak in kegelvorm op de lange vloei en draaide daarna het wietzakje uit de muis van mijn hand tevoorschijn. Buiten bouwen was een kunst op zich.
"Die van Bianca?" bleef ik naar de joint in wording kijken.
"Ja."
"Nee."
"Juul."
"Britt."
"Juu-huul."
Ik keek op.
Je gaf me het tipje.
Zo mooi als jij, had ik ze niemand anders nog zien maken.
Jongens waren sowieso van rauw, rechttoe rechtaan.
Maus.
Hij zou...
Bianca was pas weken later weer op school.
En de oude was ze sinds die tijd nooit meer geweest.
Zij zat een klas hoger dan wij.
Ik rolde, likte, keek naar jouw zich om elkaar heen draaidende vingers voor je zwarte jurk en haalde mijn aansteker uit het blik.
Terwijl ik het wat dun uitgevallen jointje met perfecte tip aanstak, eraan hees, naar verderop keek, was het hooguit nog tien stappen:
"Charly."
Haar ogen controleerden het trottoir voor haar.
"Pass mij die joint, we moeten zo naar Dooiekont."
"Wil jij echt?" vroeg jij.
Je was tegen het muurtje aan gaan zitten.
"Hij heeft een taart voor Roy bij zich. Als het goed is."
Ik passte Charlotte de joint en blies de rook uit.
pepé: lettermenger.
Haar rivier.
Het water van de rivier stroomt aan haar ogen voorbij. Zo lang al zit zij aan zijn oever te kijken, dromen, smachten. Haar hoop, dat haar kostelijke rivier net zo veel van haar houdt als zij van hem. Dat zijn liefde zo sterk is, dat hij zijn bedding zal verleggen, enkel om haar. Dan zal hij haar meenemen, schoonwassen, haar alles laten zien wat er te zien is. Ze heeft er zo vaak over gefantaseerd.
Dag en nacht zit zij bij haar geliefde. Stoer en koelbloedig stroomt hij aan haar voorbij. En zij, zij zingt hem toe en grient: "Och, zie mij dan, mijn liefdesstroom, negeer mijn hierzijn niet. Aanhoor mijn liederen die ik zing voor jou en jou alleen."
Maar de rivier is kil en baant zijn uitgesleten zelfde weg, zijn eigen eeuwige levenslied zingend. Het houdt haar aandacht vast. Even twinkelt hij in haar ogen en direct vangt dat haar blik. Maar hij twinkelt niet om haar, nee, hij twinkelt. Hij zingt geen lied voor haar, nee, hij zingt. En toch wil zij niets meer dan bij hem zijn. Maar o! Hoe graag zag zij haar liefde toch beantwoord. Al zou hij maar een stukje, nog geen meter, zijn weg haar richting op verleggen...
Jaren stromen voorbij, honderd seizoenen. Haar liefde even sterk. De rivier volgt nog steeds de zelfde bedding. Zij heeft wel duizend liedjes aan zijn zij verzonnen, waarvan ze er sommigen bij regelmaat zingt. Er is er één waar ze de dag sinds jaar en dag mee sluit, vaak met tranen gepaard gaand:
Het water van de rivier stroomt haar ogen in. Dan opent zij haar mond en ook daar vindt de stroming zijn weg. Zij heeft zo lang al aan zijn oever zitten kijken, zitten dromen, zitten smachten. Haar hoop, dat haar kostelijke rivier net zo veel van haar zal houden als zij van hem. Dat zijn liefde zo sterk is, dat hij zijn bedding zal verleggen, enkel om haar. Dan zal hij haar meenemen, schoonwassen, haar alles laten zien wat er te zien is. Ze heeft er al zo vaak over gefantaseerd.
Nu is zij in hem en hij in haar. Zij laat zich door zijn stroom volledig vullen. Eerst haar mond, 't stroomt koel langs haar tanden, spoelt fris over haar tong, vindt vervolgens nieuwe banen in haar keelgat. Zij drinkt hem gulzig, als na te lange dorst. Haar maag en darmen, alles in haar vult zich met het water van haar grote rivier-lief. En vijfentwintig smachtend-droge jaren worden gelaafd naar volle hartelust. Van zijn kolkende vocht kan zij geen genoeg meer krijgen, zij drinkt en drinkt in opperst geluk en hij stroomt door en door.
Haar keelgat vol vult zijn water ook haar longen, verdrukt haar lucht en koelt er iedere cel. Zo gaat zij in haar grote lief ten onder, gelukkiger is zij toch nooit geweest. Want welke andere minnaar geeft zich zo gans, zonder remming aan diegene die om diens liefde vraagt? Niemand dan hij met de namen aller namen, die het zijn kent van de bron tot aan de zee. Nu draagt hij haar, na honderd seizoenen, in zijn armen eindelijk met zich mee.
Dag en nacht zit zij bij haar geliefde. Stoer en koelbloedig stroomt hij aan haar voorbij. En zij, zij zingt hem toe en grient: "Och, zie mij dan, mijn liefdesstroom, negeer mijn hierzijn niet. Aanhoor mijn liederen die ik zing voor jou en jou alleen."
Maar de rivier is kil en baant zijn uitgesleten zelfde weg, zijn eigen eeuwige levenslied zingend. Het houdt haar aandacht vast. Even twinkelt hij in haar ogen en direct vangt dat haar blik. Maar hij twinkelt niet om haar, nee, hij twinkelt. Hij zingt geen lied voor haar, nee, hij zingt. En toch wil zij niets meer dan bij hem zijn. Maar o! Hoe graag zag zij haar liefde toch beantwoord. Al zou hij maar een stukje, nog geen meter, zijn weg haar richting op verleggen...
Jaren stromen voorbij, honderd seizoenen. Haar liefde even sterk. De rivier volgt nog steeds de zelfde bedding. Zij heeft wel duizend liedjes aan zijn zij verzonnen, waarvan ze er sommigen bij regelmaat zingt. Er is er één waar ze de dag sinds jaar en dag mee sluit, vaak met tranen gepaard gaand:
Vanochtend was je zilver
en tjilpte met de mussen,
waste mijn ogen wakker
en wist mijn slaap te blussen.
Toen 't middag werd was je klaar,
ik kon je ziel aanschouwen
en zag dat ik ook je diepste
dieptes kon vertrouwen.
De namen aller namen
ken jij van bron tot zee.
Toe, neem mij in jouw armen,
neem mij toch met jou mee.
Bij 't schemer werd jij duister,
zo diep en mysterieus,
ik, aan jouw stroom gekluisterd,
ik heb en wil geen keus.
En 's avonds werd je rustig,
schonk kalmte ook aan mij,
je kibbelde zo zachtjes
je golfjesvlijerij.
De namen aller namen
ken jij van bron tot zee.
Toe, neem mij in jouw armen,
neem mij toch met je mee.
Nu is het nacht, mijn lieve,
maar jij bent nimmer moe.
Ik leg m'in jou te rusten,
jij stroomt mijn ogen toe.
Honderd seizoenen stroomt hij haar ogen toe en 's ochtends vindt zij vaak 't rivierzout in de hoeken van haar ogen. Op een morgen voelt zij dat de dag een andere is dan alle voorgaande. Hangt het in de lucht? Zingen de vogels een andere melodie? Tijd voor een wisseling van jaargetij is het niet. Is het haar grote liefde? Heeft hij zich eindelijk naar haar toe verschoven? Wordt haar geduld ten slotte dan beloond? Zal zij zijn frisheid voelen aan haar tenen?
Zij staat op en kijkt van horizon naar hier en nog verder, naar waar hij van haar weggaat, maar nee, hij stroomt zoals hij altijd al deed. Het moet iets anders zijn.
Dan voelt zij het. Inderdaad zijn het niet de vogels. 't Is ook niet de lucht, nee, zelfs niet haar rivier. Het is een verandering bij haar van binnen. Ze voelt het niet, ze hóórt het. Het is een stem. Hij roept: "Duik in mij, blijf niet op mij wachten. Ik was je haren, was je huid en ziel. Ik zal je geven wat je mag verwachten en meer dan dat, mijn lief waarvoor ik kniel."
Zij weet, het is zijn stem niet, maar de woorden zijn precies die, die zij altijd verlangt dat hij haar zegt als hij zou kunnen spreken. Dus staat zij op en loopt haar liefde in.
Nu is zij in hem en hij in haar. Zij laat zich door zijn stroom volledig vullen. Eerst haar mond, 't stroomt koel langs haar tanden, spoelt fris over haar tong, vindt vervolgens nieuwe banen in haar keelgat. Zij drinkt hem gulzig, als na te lange dorst. Haar maag en darmen, alles in haar vult zich met het water van haar grote rivier-lief. En vijfentwintig smachtend-droge jaren worden gelaafd naar volle hartelust. Van zijn kolkende vocht kan zij geen genoeg meer krijgen, zij drinkt en drinkt in opperst geluk en hij stroomt door en door.
Haar keelgat vol vult zijn water ook haar longen, verdrukt haar lucht en koelt er iedere cel. Zo gaat zij in haar grote lief ten onder, gelukkiger is zij toch nooit geweest. Want welke andere minnaar geeft zich zo gans, zonder remming aan diegene die om diens liefde vraagt? Niemand dan hij met de namen aller namen, die het zijn kent van de bron tot aan de zee. Nu draagt hij haar, na honderd seizoenen, in zijn armen eindelijk met zich mee.
pepé: lettermenger.
[2003]
Zes seconden uit het duivelse leven van Joachim.
"Niet doen!" hoorde hij iemand schreeuwen. Een nerveuze trilling in de stem. Mannelijk, schor. Een stem van iemand die teveel had meegemaakt. De stem van Stanley, een jongen die niets van zijn leven wist te maken en het daarom maar vulde zoals anderen deden. Anderen, zoals Micha: diepliggende zwarte ogen, zwarte stekels bomvol gel gesmeerd. De grootste stiekemerd. En anderen... vuilnis. Allemaal.
Zijn armen bewogen ongecontroleerd. Er was geen houvast in de omgeving, niets om beet te pakken, de val te remmen of te stoppen met een schok. Nee, niets. Zijn benen kon hij zien, los van de grond, zwevend, vallend, met zijn rug naar beneden. Flapperende kleren, een zuigende broek en alles zo zwaar. Hij voelde zich zo zwaar. Joachim.
"Je hebt het niet gezien," had Stanley hem gezegd en met die woorden ging zijn rechterhand razendsnel naar zijn rechterbroekzak. Niet te volgen, zo met het blote oog.
Ze stonden daar, op de zesde verdieping van de flat. De verdieping waar Joachim's vertrek ook op lag. En het was nacht. Het feest was gezellig geweest. Een beetje veel gedronken, maar alla: hij was toch met de fiets en het was niet ver rijden naar zijn flat.
Gewoon de lift genomen met zijn zware hoofd. Het knopje zes ingedrukt en daar de schok, de zoem en dat zieke gevoel in je maag door het plots stijgen van de lift. Deuren open. De zesde verdieping. Joachim liep naar zijn voordeur. En daar kwam Stanley uit het huis van Joahim's buren. Stak net een dikke portemonnee in zijn linker broekzak. Stanley deed eerst heel normaal.
"Ha Joachim! Makker," want ze kenden elkaar wel. Maar Joachim was niet zo'n makker van Stanley.
"Wat doe je hier?"
"Ach, m'n werk. Je hebt er veel op, zo te ruiken, of niet? Ga maar gauw rustig slapen, jochie."
"Sukkel!" galmde het door de suizende stilte. En het klonk steeds verder weg. Dat lag aan hem. Want de wind waaide langs zijn oren, aaide nog eens voor het laatst wat ruig zijn haren en nam afscheid van zijn kleren. Het wapperde steeds meer, zo leek het wel.
Hij hoorde voetstappen. Ze renden weg, die laffaards daarboven. Durfden niet hun schuld, hun fouten toe te geven. Maar hij kon het al niet meer zien, alleen nog maar horen.
De aarde trok aan hem. Twee minnaars.
"Kom bij me!" schreeuwde ze, "Kom bij me!", want haar verlangen om aan te raken was groter dan ooit. Het weerzien had te lang geduurd. Haar handen reikten naar hem en sleurden hem naar haar borst. Haar borst waar het leven het leven krijgt, maar waar het ook weer weggenomen wordt. Joachim was machteloos. Haar kracht was alles scheppend en alles verpletterend. En nu had zij hem gekozen. Zij had twee handlangers op hem afgestuurd die haar zouden helpen. En het was haar gelukt. Hij zou schreeuwend, kreunend in haar armen vallen.
"Wat stopte je daar zonet weg?"
Er werd niet lang nagedacht. Op alles was gerekend.
"Mijn portemonnee, jongen, hoezo? Heb jij daar iets mee te maken dan?"
"Maar je woont hier helemaal niet en de mensen die hier wonen, ken je ook niet.
"Wat doet dat? En trouwens, wie zegt dat? Ga jij nou maar pitten. Je bent gewoon stomdronken. Je ziet spoken."
Stanley greep Joachim bij zijn bovenarmen en keerde hem richting eigen woning. Maar Joachim stribbelde tegen.
"Nee! Ik begrijp het wel: je hebt gejat. Gejat!"
"Ga weg. Waarom zou ik?"
Joachim's hand ging naar de linkerbroekzak van Stanley. Hij griste de portemonnee eruit en maakte die meteen open.
"Jaja, jouw portemonnee. Heet je voortaan Miranda Hofman?"
En daar ging Stanley's razendsnelle hand.
Hij was op hoogte van de straatverlichting. Hij zag het schitteren. Zo mooi was het eerder nooit geweest. Dat felle licht tegen dat donkerbruin van de stadslucht. Die vage lichtstralen die telkens anders in zijn ogen vielen. Zijn handen, zijn schoenen en kleding: alles baadde in dit licht.Schoon, nog zuiver en schoon voor...
Hij zag niets onder zich; zijn ogen keken omhoog. Als zijn rug nu eens kon kijken. De straten waar hij zo vaak op gelopen, gefietst, gebromd had en met pech had stilgestaan. Want hij woonde hier al lang en had het naar zijn zin. Onder zijn rug de fijn egaal verharde parkeerplaats. 's Zomers rolschaatsten ze er altijd op. Lekker glad. Als hij toch nog kind was geweest. Maar nee.
Een koude angst was haast onmerkbaar in zijn hoofd geslopen. Die bevroor gedeeltelijk zijn gedachten. Maar hij verzette zich daartegen. Uit alle macht. En de straatverlichting maakte schaduwen op zijn lichaam. Hij werd steeds meer schaduw. En er was al niets meer te horen van Stanley en Micha.
"Weet wat je doet, Stan."
"Dat weet ik heel goed. Als jij dat nu ook eens wist."
Zijn ogen waren strak gericht op het gat in de revolver waar de kogel uit kon komen. En miljoenen vluchtpogingen uit boeken en films ratelden door Joachim's hoofd. Nu was het werkelijkheid. Dit was een boek. Maar welk?
"Nokken."
"Die portemonnee!" en ineens was zijn hand bij de revolver. Hij sloeg het ding uit Stanley's handen en nog voor die het besefte, had Joachim hem stevig in zijn armen vastgeklemd. Ja, zo ging het in dat boek.
"Laat me los!"
Maar het onmogelijke was waar: Joachim's armen waren op slot. Alsof ze daar altijd gezeten hadden. Hij wist niet meer los te laten. Het was ondoenbaar.
Dan een derde kracht. Eerst het tegenstribbelen van Stanley, waarop de wonderlijke houdgreep van Joachim en nu de nieuwe: een lompe sleur, een ruk en het slot was gebroken. Stanley was los en Joachim werd ruw omgedraaid. Diepliggende ogen zwart als de nacht keken hem aan. Zwarte stekels op zijn hoofd als messen. Micha.
"Jij weet teveel," zei hij en dat was alles.
pepé: lettermenger.
[1992]
Zijn armen bewogen ongecontroleerd. Er was geen houvast in de omgeving, niets om beet te pakken, de val te remmen of te stoppen met een schok. Nee, niets. Zijn benen kon hij zien, los van de grond, zwevend, vallend, met zijn rug naar beneden. Flapperende kleren, een zuigende broek en alles zo zwaar. Hij voelde zich zo zwaar. Joachim.
"Je hebt het niet gezien," had Stanley hem gezegd en met die woorden ging zijn rechterhand razendsnel naar zijn rechterbroekzak. Niet te volgen, zo met het blote oog.
Ze stonden daar, op de zesde verdieping van de flat. De verdieping waar Joachim's vertrek ook op lag. En het was nacht. Het feest was gezellig geweest. Een beetje veel gedronken, maar alla: hij was toch met de fiets en het was niet ver rijden naar zijn flat.
Gewoon de lift genomen met zijn zware hoofd. Het knopje zes ingedrukt en daar de schok, de zoem en dat zieke gevoel in je maag door het plots stijgen van de lift. Deuren open. De zesde verdieping. Joachim liep naar zijn voordeur. En daar kwam Stanley uit het huis van Joahim's buren. Stak net een dikke portemonnee in zijn linker broekzak. Stanley deed eerst heel normaal.
"Ha Joachim! Makker," want ze kenden elkaar wel. Maar Joachim was niet zo'n makker van Stanley.
"Wat doe je hier?"
"Ach, m'n werk. Je hebt er veel op, zo te ruiken, of niet? Ga maar gauw rustig slapen, jochie."
"Sukkel!" galmde het door de suizende stilte. En het klonk steeds verder weg. Dat lag aan hem. Want de wind waaide langs zijn oren, aaide nog eens voor het laatst wat ruig zijn haren en nam afscheid van zijn kleren. Het wapperde steeds meer, zo leek het wel.
Hij hoorde voetstappen. Ze renden weg, die laffaards daarboven. Durfden niet hun schuld, hun fouten toe te geven. Maar hij kon het al niet meer zien, alleen nog maar horen.
De aarde trok aan hem. Twee minnaars.
"Kom bij me!" schreeuwde ze, "Kom bij me!", want haar verlangen om aan te raken was groter dan ooit. Het weerzien had te lang geduurd. Haar handen reikten naar hem en sleurden hem naar haar borst. Haar borst waar het leven het leven krijgt, maar waar het ook weer weggenomen wordt. Joachim was machteloos. Haar kracht was alles scheppend en alles verpletterend. En nu had zij hem gekozen. Zij had twee handlangers op hem afgestuurd die haar zouden helpen. En het was haar gelukt. Hij zou schreeuwend, kreunend in haar armen vallen.
"Wat stopte je daar zonet weg?"
Er werd niet lang nagedacht. Op alles was gerekend.
"Mijn portemonnee, jongen, hoezo? Heb jij daar iets mee te maken dan?"
"Maar je woont hier helemaal niet en de mensen die hier wonen, ken je ook niet.
"Wat doet dat? En trouwens, wie zegt dat? Ga jij nou maar pitten. Je bent gewoon stomdronken. Je ziet spoken."
Stanley greep Joachim bij zijn bovenarmen en keerde hem richting eigen woning. Maar Joachim stribbelde tegen.
"Nee! Ik begrijp het wel: je hebt gejat. Gejat!"
"Ga weg. Waarom zou ik?"
Joachim's hand ging naar de linkerbroekzak van Stanley. Hij griste de portemonnee eruit en maakte die meteen open.
"Jaja, jouw portemonnee. Heet je voortaan Miranda Hofman?"
En daar ging Stanley's razendsnelle hand.
Hij was op hoogte van de straatverlichting. Hij zag het schitteren. Zo mooi was het eerder nooit geweest. Dat felle licht tegen dat donkerbruin van de stadslucht. Die vage lichtstralen die telkens anders in zijn ogen vielen. Zijn handen, zijn schoenen en kleding: alles baadde in dit licht.Schoon, nog zuiver en schoon voor...
Hij zag niets onder zich; zijn ogen keken omhoog. Als zijn rug nu eens kon kijken. De straten waar hij zo vaak op gelopen, gefietst, gebromd had en met pech had stilgestaan. Want hij woonde hier al lang en had het naar zijn zin. Onder zijn rug de fijn egaal verharde parkeerplaats. 's Zomers rolschaatsten ze er altijd op. Lekker glad. Als hij toch nog kind was geweest. Maar nee.
Een koude angst was haast onmerkbaar in zijn hoofd geslopen. Die bevroor gedeeltelijk zijn gedachten. Maar hij verzette zich daartegen. Uit alle macht. En de straatverlichting maakte schaduwen op zijn lichaam. Hij werd steeds meer schaduw. En er was al niets meer te horen van Stanley en Micha.
"Weet wat je doet, Stan."
"Dat weet ik heel goed. Als jij dat nu ook eens wist."
Zijn ogen waren strak gericht op het gat in de revolver waar de kogel uit kon komen. En miljoenen vluchtpogingen uit boeken en films ratelden door Joachim's hoofd. Nu was het werkelijkheid. Dit was een boek. Maar welk?
"Nokken."
"Die portemonnee!" en ineens was zijn hand bij de revolver. Hij sloeg het ding uit Stanley's handen en nog voor die het besefte, had Joachim hem stevig in zijn armen vastgeklemd. Ja, zo ging het in dat boek.
"Laat me los!"
Maar het onmogelijke was waar: Joachim's armen waren op slot. Alsof ze daar altijd gezeten hadden. Hij wist niet meer los te laten. Het was ondoenbaar.
Dan een derde kracht. Eerst het tegenstribbelen van Stanley, waarop de wonderlijke houdgreep van Joachim en nu de nieuwe: een lompe sleur, een ruk en het slot was gebroken. Stanley was los en Joachim werd ruw omgedraaid. Diepliggende ogen zwart als de nacht keken hem aan. Zwarte stekels op zijn hoofd als messen. Micha.
"Jij weet teveel," zei hij en dat was alles.
pepé: lettermenger.
[1992]
woensdag 2 mei 2012
Doorbrekende lente.
Zo rond mijn twaalfde moet ik voor het laatst in een speeltuin gespeeld hebben. Ik raakte toendertijd met mijn hand tussen het draaimechanisme van een houten looprad en was voorgoed genezen. Nu zit ik er samen met Robin. De vorst van deze winter ligt al op zijn sterfbed, maar heeft de energie van iemand die zich tot zijn laatste daden toe wil laten gelden. Over de speeltuigen ligt een laagje rijp, daar waar de vandaag spaarzame zonnestralen nog niet zijn gekomen. Tussen het grijs van lucht en grond spelen rood, blauw, groen en geel nu zelf eigenwijs verstoppertje achter ijs. Ze laten een ruimte achter voor mijn geest om het beeld met zelfverzonnen kleuren te bestrijken of vrede te vinden in dat het witberijpt en grijs zal blijven.
Robin zit op een steen naast het rad waar ik in zit. Haar handschoenhanden pakken haar das juist voor beide wangen vast en trekken hem bedachtzaam wat hoger; wat warmer en wat mooier. Robin beeldt haar weten uit. Dat is ook precies wat mij van aanvang aan zo aan haar fascineert. Haar ogen turen over de hekken van de speeltuin heen, maar eigenlijk kijkt ze mij aan. In de breedte van haar blikveld ben ik dan misschien wel niet de focus van haar pupillen, wel van haar geest. Precies zo kijk ik naar het vloeipapier dat zich tussen mijn vingers om de inhoud rolt. Niet in één keer goed, uiteindelijk ook met een buikje in het midden, maar te roken, “en daar gaat het om,” zeg ik dan meestal.
“O, Loki durft weer naar buiten,” wolkt het uit Robin. “De eerste keer dat hij weg was, kwam hij sluipend en klaaglijk mauwend binnen. Hij heeft Freije en mij dagenlang gemeden, at zijn brokjes als wij het niet zagen. Tot hij op een avond weer met opgeheven staart tegen Freijes been aankopte. Vandaag was hij weer een paar uurtjes naar buiten. Ik denk dat hij met een andere kater ruzie heeft gehad, denk je niet?”
“Het ventje.”
Mijn woorden lijken op. Of misschien hebben ze zich allemaal op één plaats gepositioneerd. Als we daar komen zullen ze komen. Ja. dan zullen ze komen.
“Freije is lief voor me, Joost. Door haar voel ik me zo thuis in ons nieuwe huisje. Ze zorgt zo goed voor me, ze neemt cadeautjes voor me mee en maakt lekker eten voor ons klaar. Ik ben heel gelukkig met haar en wil echt proberen oud met haar te worden.”
“Jullie houden echt van elkaar, dat kun je zien. En dat is mooi. Freije is ook een lieve schat. Hoe zij in korte tijd veranderd is van een jonge meid naar een steeds volwassenere en zelfverzekerdere vrouw. Ik hou ook van haar.”
Ook van haar, Robin. Ook! Een geaborteerde wanhoopsschreeuw.
“Ja, Freije is lief,” besluit ik. Ik hoor dat ik het meen. Dan hoort Robin het ook. Dan is het goed.
“O, ik mis haar nu even heel erg, Joost. Maar het is anders met jou en mij alleen. Soms heb ik daar gewoon behoefte aan. Met jou heb ik van die heerlijke gesprekken. Ja, jij bent voor mij ook heel speciaal. Misschien wel even speciaal als Freije voor me is. Alleen dan anders.”
Op een specifieke plaats in mijn brein het begin van rumoer. Er komt beweging in de hoop. Maar Robin beeldt haar weten uit. Alsof natuurkrachten aan haar zijde staan breekt daar en dan de zon door. Robin’s hals ontkiemt bij de eerste tekenen ervan al uit haar wollen das en haar gezicht straalt de zon terug tegemoet. Beduusd murmelt mijn hoop zich weer in stilte.
“Het wordt gauw lente, denk je niet?”
“Ik heb er zin in.”
Te verlangend. Ik denk dat Robin ook wel hoorde dat mijn stem een donker randje had, maar ze zei alleen: “Ja, ik ook.”
In een lente met jou. Gegijzelde armen heb ik vrij-onderhandeld om jou. In al mijn bombast, zie je je naakte minnaar je dan niet in zorgzaam zwijgen naderen? Ik heb menig man mij zijn liefde laten geven en zou ik zeggen dat ik hen niet lief heb gehad, zou ik liegen. Toch heb ik ergens altijd geweten dat een dan nog onbekende vrouw deze knaap zou leren wat het is je aan elkaar te geven. Tot nog toe had ze jouw gezicht, jouw handschoenen en jouw das. Zeg je nu dat ik al die tijd toch een vriend was?
“Zullen we verder lopen?” vraagt Robin me.
Ik kijk naar mijn rechter hand. “Hij is nog niet op. Heel even nog.”
Rookwolkjes boven mijn hoofd. Vraagtekens en gedachten-tekstballonnen. Tot weer enkele van mijn woorden een weg naar buiten vonden.
Robin zit op een steen naast het rad waar ik in zit. Haar handschoenhanden pakken haar das juist voor beide wangen vast en trekken hem bedachtzaam wat hoger; wat warmer en wat mooier. Robin beeldt haar weten uit. Dat is ook precies wat mij van aanvang aan zo aan haar fascineert. Haar ogen turen over de hekken van de speeltuin heen, maar eigenlijk kijkt ze mij aan. In de breedte van haar blikveld ben ik dan misschien wel niet de focus van haar pupillen, wel van haar geest. Precies zo kijk ik naar het vloeipapier dat zich tussen mijn vingers om de inhoud rolt. Niet in één keer goed, uiteindelijk ook met een buikje in het midden, maar te roken, “en daar gaat het om,” zeg ik dan meestal.
“O, Loki durft weer naar buiten,” wolkt het uit Robin. “De eerste keer dat hij weg was, kwam hij sluipend en klaaglijk mauwend binnen. Hij heeft Freije en mij dagenlang gemeden, at zijn brokjes als wij het niet zagen. Tot hij op een avond weer met opgeheven staart tegen Freijes been aankopte. Vandaag was hij weer een paar uurtjes naar buiten. Ik denk dat hij met een andere kater ruzie heeft gehad, denk je niet?”
“Het ventje.”
Mijn woorden lijken op. Of misschien hebben ze zich allemaal op één plaats gepositioneerd. Als we daar komen zullen ze komen. Ja. dan zullen ze komen.
“Freije is lief voor me, Joost. Door haar voel ik me zo thuis in ons nieuwe huisje. Ze zorgt zo goed voor me, ze neemt cadeautjes voor me mee en maakt lekker eten voor ons klaar. Ik ben heel gelukkig met haar en wil echt proberen oud met haar te worden.”
“Jullie houden echt van elkaar, dat kun je zien. En dat is mooi. Freije is ook een lieve schat. Hoe zij in korte tijd veranderd is van een jonge meid naar een steeds volwassenere en zelfverzekerdere vrouw. Ik hou ook van haar.”
Ook van haar, Robin. Ook! Een geaborteerde wanhoopsschreeuw.
“Ja, Freije is lief,” besluit ik. Ik hoor dat ik het meen. Dan hoort Robin het ook. Dan is het goed.
“O, ik mis haar nu even heel erg, Joost. Maar het is anders met jou en mij alleen. Soms heb ik daar gewoon behoefte aan. Met jou heb ik van die heerlijke gesprekken. Ja, jij bent voor mij ook heel speciaal. Misschien wel even speciaal als Freije voor me is. Alleen dan anders.”
Op een specifieke plaats in mijn brein het begin van rumoer. Er komt beweging in de hoop. Maar Robin beeldt haar weten uit. Alsof natuurkrachten aan haar zijde staan breekt daar en dan de zon door. Robin’s hals ontkiemt bij de eerste tekenen ervan al uit haar wollen das en haar gezicht straalt de zon terug tegemoet. Beduusd murmelt mijn hoop zich weer in stilte.
“Het wordt gauw lente, denk je niet?”
“Ik heb er zin in.”
Te verlangend. Ik denk dat Robin ook wel hoorde dat mijn stem een donker randje had, maar ze zei alleen: “Ja, ik ook.”
In een lente met jou. Gegijzelde armen heb ik vrij-onderhandeld om jou. In al mijn bombast, zie je je naakte minnaar je dan niet in zorgzaam zwijgen naderen? Ik heb menig man mij zijn liefde laten geven en zou ik zeggen dat ik hen niet lief heb gehad, zou ik liegen. Toch heb ik ergens altijd geweten dat een dan nog onbekende vrouw deze knaap zou leren wat het is je aan elkaar te geven. Tot nog toe had ze jouw gezicht, jouw handschoenen en jouw das. Zeg je nu dat ik al die tijd toch een vriend was?
“Zullen we verder lopen?” vraagt Robin me.
Ik kijk naar mijn rechter hand. “Hij is nog niet op. Heel even nog.”
Rookwolkjes boven mijn hoofd. Vraagtekens en gedachten-tekstballonnen. Tot weer enkele van mijn woorden een weg naar buiten vonden.
“Als kind was ik een brokkenpiloot. Ik was niet heel zuinig op mezelf. Hoe vaak ik niet bij de dokter ben geweest om mijn hoofd weer dicht te laten hechten na een valpartij uit een of andere boom of van een schuurtje in de buurt. En hoe er zeven mensen nodig waren om me ondertussen op de stoel stil te houden.”
Ik neem tussendoor de laatste hijs. Robin’s angèsque-open ogen drinken mijn daarzijn.
“Iedere keer was het avontuur verleidelijker dan dat het verstand het eigenlijk goed vond.”
“Dat je toen zo’n klimmer was. Nu moet je niets meer van bewegen hebben.”
Ze lacht er licht spottend bij.
Ik neem tussendoor de laatste hijs. Robin’s angèsque-open ogen drinken mijn daarzijn.
“Iedere keer was het avontuur verleidelijker dan dat het verstand het eigenlijk goed vond.”
“Dat je toen zo’n klimmer was. Nu moet je niets meer van bewegen hebben.”
Ze lacht er licht spottend bij.
Zie me, Robin. Zie me nu. Ik beweeg. Ik beweeg me onzichtbaar voor jouw ogen nader. Laten we dansen en ja, laten we zo dansen dat we uren, dagen kunnen dansen. We hebben geen haast.
Maar ik roep: “O nee?”
Als ik opspring van het houten rad maak ik het daarbij zachtjes aan het draaien: Om mani padme hung, en vorm dan -of is het dat avontuurlijke jochie? Vorm dan samen met Robin een schaterende gebedsmolen over het grind van de verder vrijwel verlaten speeltuin. Zij eindigt buigend met een lachzucht en vervolgt ons, haar weg eenvoudigwegwandelend. Ik sluit me nalachend bij haar aan.
Maar ik roep: “O nee?”
Als ik opspring van het houten rad maak ik het daarbij zachtjes aan het draaien: Om mani padme hung, en vorm dan -of is het dat avontuurlijke jochie? Vorm dan samen met Robin een schaterende gebedsmolen over het grind van de verder vrijwel verlaten speeltuin. Zij eindigt buigend met een lachzucht en vervolgt ons, haar weg eenvoudigwegwandelend. Ik sluit me nalachend bij haar aan.
“Hoe zullen we gaan?” vraag ik.
“We gaan naar de auto.”
“Da’s goed.”
Het schrapen van de kiezels onder onze schoenen scheurt de ruimte tussen Robin en mij bij elke stap een beetje meer uiteen. Misschien dat het nog te redden is, want ook nu kan ik haar vastpakken, aankijken en zoenen op haar mond. De keren dat we elkaar aankeken in ongeacht welke kamer en we op de brug van onze blikken ergens halverwege ervan opstegen, we ondertussen zittend zwegen met een glimlach vanaf onze bank tot Freije binnenkwam met drank en dan zei: “Zitten jullie weer met elkaar te kletsen?”
De autorit terug (ik heb geen rijbewijs) scheurt de tussenruimte verder in. Vanaf ons spreekgestoelte babbelen we over de weg over ons werk en mensen die we kennen, tot we Robin’s stalen aardbei parkeren naast het spoor.
“Sluit ‘ie vanzelf?” vraag ik haar een beetje ongemakkelijk.
“Ja.” Robin lacht nog altijd.
Ik stap uit, stap eruit en merk wat passen later dat ik haar woning niet inga: Voor de deurpost draai ik me om en wuif haar vaarwel met tranen. Ondertussen lopen Robin en ik één voor één over de drempel. Zij eerst. Robin houdt de deur met haar zo open gelaat open en sluit hem achter mij. Buiten loop ik ik weet niet waar naar toe.
Het vlees waar ik nu slechts uit besta kijkt naar de materialen die in de kamer staan. De brandweerrode bank, zandkleurige inkt in verschillende tonen die voor de zwarte achtergrond van de zeefdruk het hoofd van een mediterende boeddha vormt. In een hoek onder een raam patronen van over de hele wereld geborduurd op slopen van een hoop van kussens op de eiken plankenvloer. En al die ruimte tussen stoelen, tafels, alle spullen, al die ruimte eromheen en erboven. Zesendertig vierkante meters en zoveel leegte. Zoveel leegte had ik nog nooit op zo’n oppervlakte gezien. Maarja, hoe kan ik als ik juist mijn ziel verloren ben ook voelen waar de lucht allemaal mee bevrucht is? Ben ik die leegte of zie ik hem? Wat er van mij over is legt zich neer op de hoop in de hoek. Het voelt alsof het die hiermee completeert.
Zit op mij. Ga liggen op mij. En vrij met haar op mij.
Loki groet Robin en snuffelt daarna meewarig aan de gegroeide berg van kussens. Prikkende snorharen spatten het eenheidsgevoel met mijn plek uiteen. Ik bespeur het gat in mij en hoor buiten een ongeschreeuwde noodkreet om een hoek verdwijnen. Ik heb spijt mezelf zo achteloos weg te hebben laten gaan. Ik voel me bezorgd en gehaast -en krijg thee voorgeschoteld.
“O, Joost, ik heb Boeddha van Deepak Chopra echt verslonden,” wijst Robin op de boekenkast. “Ik vind het zo jammer dat ik hem uitheb, ik denk dat ik hem binnenkort nog een keer ga lezen.”
“Ja, die is zeker geweldig. Ik heb erbij moeten lachen en huilen en voelde zo vaak een soort van herkenning in het verhaal. Heel vreemd.”
“Maar jij bent ook een kleine boeddha,” blaast Robin me over haar kopje toe. Het geeft me een pijnscheut en mijn ogen kietelen een beetje.
“Jij ook,” dampt het omhoog van de kussenhoop.
Jij ook. Was het grijs dus hiermee beschilderd? Robin en ik, ook twee boeddhas op dat witberijpte pad richting verlichting. We gaan dus toch niet samen. Ik denk dat ik ben gaan geloven dat je wil. En je wil. Maar niet nu. En niet samen. Niet samen met mij. Of niet per sé niet, ook weer wel, maar niet nu. Nee. Niet nu.
“Joost?”
“Ja?”
“Ik heb toch ooit gezegd dat ik wel wilde onderzoeken of ik kon leven in een soort van relatie met Freije en jou allebei?”
Ik heb gevoeld dat je het kunt.
“Ja.”
Mat.
“Ik voel de laatste tijd steeds sterker dat ik een leven samen met Freije op wil bouwen. Het is niet dat ik minder van jou ben gaan houden, maar het voelt op deze manier goed.”
Ik weet niet wat ik nu allemaal zeg. Ik zeg eigenlijk enkel: “Au…” Ik zegen je, beween je en omarm je. Mijn stembanden lijken tussen het draaimechanisme van een houten looprad te hebben gezeten. Au op au heb ik gesproken. Mijn ziel moet het hebben gehoord.
Bonkend voordeurhout en geschuifel op steen achter de deur in deze kamer.
“Freije,” zegt Robin. Het klinkt alsof ze zich betrapt voelt.
Ik doe open en kijk me aan.
Ik zeg: “Kom, we gaan.”
Ik kijk Robin aan.
“We gaan dus toch niet samen?”
pepé: lettermenger.
“We gaan naar de auto.”
“Da’s goed.”
Het schrapen van de kiezels onder onze schoenen scheurt de ruimte tussen Robin en mij bij elke stap een beetje meer uiteen. Misschien dat het nog te redden is, want ook nu kan ik haar vastpakken, aankijken en zoenen op haar mond. De keren dat we elkaar aankeken in ongeacht welke kamer en we op de brug van onze blikken ergens halverwege ervan opstegen, we ondertussen zittend zwegen met een glimlach vanaf onze bank tot Freije binnenkwam met drank en dan zei: “Zitten jullie weer met elkaar te kletsen?”
De autorit terug (ik heb geen rijbewijs) scheurt de tussenruimte verder in. Vanaf ons spreekgestoelte babbelen we over de weg over ons werk en mensen die we kennen, tot we Robin’s stalen aardbei parkeren naast het spoor.
“Sluit ‘ie vanzelf?” vraag ik haar een beetje ongemakkelijk.
“Ja.” Robin lacht nog altijd.
Ik stap uit, stap eruit en merk wat passen later dat ik haar woning niet inga: Voor de deurpost draai ik me om en wuif haar vaarwel met tranen. Ondertussen lopen Robin en ik één voor één over de drempel. Zij eerst. Robin houdt de deur met haar zo open gelaat open en sluit hem achter mij. Buiten loop ik ik weet niet waar naar toe.
Het vlees waar ik nu slechts uit besta kijkt naar de materialen die in de kamer staan. De brandweerrode bank, zandkleurige inkt in verschillende tonen die voor de zwarte achtergrond van de zeefdruk het hoofd van een mediterende boeddha vormt. In een hoek onder een raam patronen van over de hele wereld geborduurd op slopen van een hoop van kussens op de eiken plankenvloer. En al die ruimte tussen stoelen, tafels, alle spullen, al die ruimte eromheen en erboven. Zesendertig vierkante meters en zoveel leegte. Zoveel leegte had ik nog nooit op zo’n oppervlakte gezien. Maarja, hoe kan ik als ik juist mijn ziel verloren ben ook voelen waar de lucht allemaal mee bevrucht is? Ben ik die leegte of zie ik hem? Wat er van mij over is legt zich neer op de hoop in de hoek. Het voelt alsof het die hiermee completeert.
Zit op mij. Ga liggen op mij. En vrij met haar op mij.
Loki groet Robin en snuffelt daarna meewarig aan de gegroeide berg van kussens. Prikkende snorharen spatten het eenheidsgevoel met mijn plek uiteen. Ik bespeur het gat in mij en hoor buiten een ongeschreeuwde noodkreet om een hoek verdwijnen. Ik heb spijt mezelf zo achteloos weg te hebben laten gaan. Ik voel me bezorgd en gehaast -en krijg thee voorgeschoteld.
“O, Joost, ik heb Boeddha van Deepak Chopra echt verslonden,” wijst Robin op de boekenkast. “Ik vind het zo jammer dat ik hem uitheb, ik denk dat ik hem binnenkort nog een keer ga lezen.”
“Ja, die is zeker geweldig. Ik heb erbij moeten lachen en huilen en voelde zo vaak een soort van herkenning in het verhaal. Heel vreemd.”
“Maar jij bent ook een kleine boeddha,” blaast Robin me over haar kopje toe. Het geeft me een pijnscheut en mijn ogen kietelen een beetje.
“Jij ook,” dampt het omhoog van de kussenhoop.
Jij ook. Was het grijs dus hiermee beschilderd? Robin en ik, ook twee boeddhas op dat witberijpte pad richting verlichting. We gaan dus toch niet samen. Ik denk dat ik ben gaan geloven dat je wil. En je wil. Maar niet nu. En niet samen. Niet samen met mij. Of niet per sé niet, ook weer wel, maar niet nu. Nee. Niet nu.
“Joost?”
“Ja?”
“Ik heb toch ooit gezegd dat ik wel wilde onderzoeken of ik kon leven in een soort van relatie met Freije en jou allebei?”
Ik heb gevoeld dat je het kunt.
“Ja.”
Mat.
“Ik voel de laatste tijd steeds sterker dat ik een leven samen met Freije op wil bouwen. Het is niet dat ik minder van jou ben gaan houden, maar het voelt op deze manier goed.”
Ik weet niet wat ik nu allemaal zeg. Ik zeg eigenlijk enkel: “Au…” Ik zegen je, beween je en omarm je. Mijn stembanden lijken tussen het draaimechanisme van een houten looprad te hebben gezeten. Au op au heb ik gesproken. Mijn ziel moet het hebben gehoord.
Bonkend voordeurhout en geschuifel op steen achter de deur in deze kamer.
“Freije,” zegt Robin. Het klinkt alsof ze zich betrapt voelt.
Ik doe open en kijk me aan.
Ik zeg: “Kom, we gaan.”
Ik kijk Robin aan.
“We gaan dus toch niet samen?”
pepé: lettermenger.
maandag 5 maart 2012
Moui.
En inene brak de grond in tweeën, precies tussen haar benen.
Ze keek naar beneden, zag zwart en zwart alleen -of toch even een sprankje?
Links en rechts niet veel meer van dat wat was was overgebleven -na al dat beven.
Wat anders kon ze doen dan Alice achterna -en dan zien?
Dus keek ze nog even naar de evenaar en bracht toen prompt haar benen bij elkaar, met rechts Japan -en links van haar Amerika.
Geen potjes en briefjes bij de val, geen kastjes met laatjes, niets van dat al.
Haar haren leken naar boven te willen grijpen, haar tenen trokken haar juist neer.
"Niets nieuws onder de zon," zei ze terwijl ze viel en viel, "maar dit heb ik nog nooit meegemaakt!"
En jij, heb jij ooit gehoord van een meisje dat tussen twee aardplaten in naar -ja, waarheen eigenlijk tuimelt zij?
Eerst rook ze nog grond rondom en in de valwind, nu rook ze niets meer.
Evenveel eigenlijk als dat ze zag.
"Laat staan proeven," vulde ze haar eigen gedachten aan.
Het was de allereerste keer dat ze "laat staan" in een zin gebruikte. En dat terwijl ze viel. Ze voelde zich er gewichtig door. Zó gewichtig dat ze er sneller van leek te vallen, dus probeerde ze gauw weer aan iets luchtigs te denken.
"Progrestaart! Progrestaart!"
De taart die ze altijd bij oma kreeg.
Nu leek het wel een spreuk van een hogepriesteres, al was het dan wel een beetje een gekke. Maar! Hij leek te werken.
Haar neus, haar ogen, haar tong, niets ving nog iets op.
Ja, de suiswind langs haar huid en oren.
"Aarde!" riep ze een paar keren in de rondte. "Aarde!"
Waar was die gebleven, nog altijd om haar heen?
Aan haar vallen kwam geen einde, op haar roep klonk geen repliek.
Zo gebeurde in dit verhaal niet veel meer dan alleen haar vallen, tot ver onder haar een volgroen lichtje scheen -en toen nóg één.
Daarna voelde zij zich een soortement gedragen.
Vallen deed ze altijd nog, alleen was het nu alsof ze bovenop een parachute zat. Een doorzichtige dan, want de twee groene lichtjes benee' leken haar val te volgen, haar niet los te laten.
Misschien dempte dit ogenblik haar val.
"Aarde?" probeerde ze het nog eens.
"Dappere dame," hoorde ze, als was ze in een enorme kathedraal, "dat is één van mijn namen."
Ze klonk niet als oma; Aarde. Nee, meer als een stem die ze héél lang was vergeten.
Twee windvingers plukten haar uit haar val. Ze voelde zich neergezet, haar voetzolen vonden ondergrond, terwijl onder haar de lichtogen zich even sloten en bij het weer openen zomaar naast haar stonden.
Het groen kleurde ook haar witte jurk lichtgroen.
"Ben ik nog altijd in u?" vroeg ze op haar zachtst aan Aarde.
De lichtrondjes tegenover haar vormden zich even tot ovaaltjes en er klonk een gniffel. Met daarna een echo van een gniffel en een echo van een echo van een gniffel. En een echo van een echo van een echo van een gniffel.
"Ja, Moui, jij bent nog altijd in mij. Ben ik ook nog altijd in jou?"
"Ik denk het wel ja. Ja, u bent ook in mij."
"Hoe weet je dat, Moui?" vroeg Aarde en sloot haar ogen.
Ja, hoe wist ze dat?
Tellen lang was het weer stikdonker. En stil.
Moui schaamde zich niets te kunnen verzinnen.
Ja, wel verzinnen, maar dan zou het verzonnen zijn.
Toen zei ze maar: "Dat weet ik niet."
Wat zou er nu gebeuren? Zou Aarde haar uitspugen? Zou ze haar erom laten vallen?
"Dat kun jij inderdaad niet weten, lieve Moui," in fluister.
"Ik weet niet hoe, maar ik weet wel dát," zei Moui daartegen.
"Wat deed je springen, mensenmeisje?"
"Het was niet leuk meer daar, Aarde. Alles ging kapot."
"Niet leuk meer. Hmm," en de mmmm gonsde nu mmmm om en door Moui's oren mmm.
"En toen liet je je vallen?"
"Ja, maar alleen omdat dat kon."
"Wat had je anders gedaan?"
"Dat weet ik óók niet."
Dit keer ging Aarde daar niet mee akkoord.
"Dat weet je wel."
Duister.
"Echt niet!" probeerde Moui.
Duisternis. En stilte. Alle eerdere echo's waren afgedropen.
Moui voelde hoe haar blik omhoog ging, hopend dat ze daar iets opving, maar nee.
Haar linkerhak zakte in iets weg, onder haar rechterbeen leek de ondergrond het nu ook te gaan begeven. Misschien moest ze nu toch snel een antwoord geven. Of wilde ze verder in het zwarte zakken?
Zeg iets, krrr!, weet iets, rrrak!, bedenk iets ongelofelijk slims, kràààà!, vergeet dat je niks weet! kkk!
"Progrestaart!"
aard! aard! aard! aard! echo... ogen open... In vaart een groene legerwagen op haar af. En alles om haar heen nog altijd -of opnieuw gebroken, met rechts Japan -en links van haar Amerika.
Was dat het juiste antwoord?
Autoportier open, soldaat naar haar toegelopen.
"Tsunami! Tsunami!" greep een ruwe hand Moui bij haar linker arm de Jeep in, scheurde van de scheur vandaan, gevolgd door groene ogen.
pepé: lettermenger.
Ze keek naar beneden, zag zwart en zwart alleen -of toch even een sprankje?
Links en rechts niet veel meer van dat wat was was overgebleven -na al dat beven.
Wat anders kon ze doen dan Alice achterna -en dan zien?
Dus keek ze nog even naar de evenaar en bracht toen prompt haar benen bij elkaar, met rechts Japan -en links van haar Amerika.
Geen potjes en briefjes bij de val, geen kastjes met laatjes, niets van dat al.
Haar haren leken naar boven te willen grijpen, haar tenen trokken haar juist neer.
"Niets nieuws onder de zon," zei ze terwijl ze viel en viel, "maar dit heb ik nog nooit meegemaakt!"
En jij, heb jij ooit gehoord van een meisje dat tussen twee aardplaten in naar -ja, waarheen eigenlijk tuimelt zij?
Eerst rook ze nog grond rondom en in de valwind, nu rook ze niets meer.
Evenveel eigenlijk als dat ze zag.
"Laat staan proeven," vulde ze haar eigen gedachten aan.
Het was de allereerste keer dat ze "laat staan" in een zin gebruikte. En dat terwijl ze viel. Ze voelde zich er gewichtig door. Zó gewichtig dat ze er sneller van leek te vallen, dus probeerde ze gauw weer aan iets luchtigs te denken.
"Progrestaart! Progrestaart!"
De taart die ze altijd bij oma kreeg.
Nu leek het wel een spreuk van een hogepriesteres, al was het dan wel een beetje een gekke. Maar! Hij leek te werken.
Haar neus, haar ogen, haar tong, niets ving nog iets op.
Ja, de suiswind langs haar huid en oren.
"Aarde!" riep ze een paar keren in de rondte. "Aarde!"
Waar was die gebleven, nog altijd om haar heen?
Aan haar vallen kwam geen einde, op haar roep klonk geen repliek.
Zo gebeurde in dit verhaal niet veel meer dan alleen haar vallen, tot ver onder haar een volgroen lichtje scheen -en toen nóg één.
Daarna voelde zij zich een soortement gedragen.
Vallen deed ze altijd nog, alleen was het nu alsof ze bovenop een parachute zat. Een doorzichtige dan, want de twee groene lichtjes benee' leken haar val te volgen, haar niet los te laten.
Misschien dempte dit ogenblik haar val.
"Aarde?" probeerde ze het nog eens.
"Dappere dame," hoorde ze, als was ze in een enorme kathedraal, "dat is één van mijn namen."
Ze klonk niet als oma; Aarde. Nee, meer als een stem die ze héél lang was vergeten.
Twee windvingers plukten haar uit haar val. Ze voelde zich neergezet, haar voetzolen vonden ondergrond, terwijl onder haar de lichtogen zich even sloten en bij het weer openen zomaar naast haar stonden.
Het groen kleurde ook haar witte jurk lichtgroen.
"Ben ik nog altijd in u?" vroeg ze op haar zachtst aan Aarde.
De lichtrondjes tegenover haar vormden zich even tot ovaaltjes en er klonk een gniffel. Met daarna een echo van een gniffel en een echo van een echo van een gniffel. En een echo van een echo van een echo van een gniffel.
"Ja, Moui, jij bent nog altijd in mij. Ben ik ook nog altijd in jou?"
"Ik denk het wel ja. Ja, u bent ook in mij."
"Hoe weet je dat, Moui?" vroeg Aarde en sloot haar ogen.
Ja, hoe wist ze dat?
Tellen lang was het weer stikdonker. En stil.
Moui schaamde zich niets te kunnen verzinnen.
Ja, wel verzinnen, maar dan zou het verzonnen zijn.
Toen zei ze maar: "Dat weet ik niet."
Wat zou er nu gebeuren? Zou Aarde haar uitspugen? Zou ze haar erom laten vallen?
"Dat kun jij inderdaad niet weten, lieve Moui," in fluister.
"Ik weet niet hoe, maar ik weet wel dát," zei Moui daartegen.
"Wat deed je springen, mensenmeisje?"
"Het was niet leuk meer daar, Aarde. Alles ging kapot."
"Niet leuk meer. Hmm," en de mmmm gonsde nu mmmm om en door Moui's oren mmm.
"En toen liet je je vallen?"
"Ja, maar alleen omdat dat kon."
"Wat had je anders gedaan?"
"Dat weet ik óók niet."
Dit keer ging Aarde daar niet mee akkoord.
"Dat weet je wel."
Duister.
"Echt niet!" probeerde Moui.
Duisternis. En stilte. Alle eerdere echo's waren afgedropen.
Moui voelde hoe haar blik omhoog ging, hopend dat ze daar iets opving, maar nee.
Haar linkerhak zakte in iets weg, onder haar rechterbeen leek de ondergrond het nu ook te gaan begeven. Misschien moest ze nu toch snel een antwoord geven. Of wilde ze verder in het zwarte zakken?
Zeg iets, krrr!, weet iets, rrrak!, bedenk iets ongelofelijk slims, kràààà!, vergeet dat je niks weet! kkk!
"Progrestaart!"
aard! aard! aard! aard! echo... ogen open... In vaart een groene legerwagen op haar af. En alles om haar heen nog altijd -of opnieuw gebroken, met rechts Japan -en links van haar Amerika.
Was dat het juiste antwoord?
Autoportier open, soldaat naar haar toegelopen.
"Tsunami! Tsunami!" greep een ruwe hand Moui bij haar linker arm de Jeep in, scheurde van de scheur vandaan, gevolgd door groene ogen.
pepé: lettermenger.
zaterdag 3 maart 2012
Berta Schildpad.
Er is een land met de naam het Land van Doen.
En dat Land van Doen ligt veel dichterbij dan jij denkt.
Kinderen komen er vaker dan grote mensen.
Kinderen kunnen namelijk gemakkelijker de weg naar het Land van Doen vinden.
Tenminste, dat zeggen ze.
Op een ochtend loopt Timar langs het strand.
Timar lijkt als enige op een mens in heel het Land van Doen.
Niemand weet precies waar hij vandaan komt.
Er wordt gezegd dat zijn vader en moeder heel ver weg wonen.
Ooit, op één van zijn avonturen kwam Timar toevallig in het Land van Doen.
Toen is hij nooit meer weg gegaan.
Zo leuk vindt hij het hier met iedereen.
Bij het strand schuilen de vogels in de schaduw.
De schaduw van de bladeren aan de bomen.
Daar ziet Timar Erik Ekster in een palmboom zitten.
“Het is lekker warm hè, Erik?” roept Timar naar hem.
“Vreselijk,” antwoordt Erik. “Soms wilde ik dat ik helemaal wit was en niet wit-zwart.
Mijn zwarte veren voelen nu zo heet aan, Timar.
Waren mijn veren maar een jas zoals jij die hebt.
Dan kon ik die nu ook uitdoen.”
“Neem strakjes een lekkere duik in Zee,” roept Timar.
Hij zwaait naar Erik en wandelt verder.
“Duiken is het allerlekkerst als Zon aan het ondergaan is.
Ik doe eerst nog even een dutje met mijn vrienden.
Dag Timar!”
Timar loopt verder, want hij wil nog naar Berta Schildpad toe.
Timar heeft Berta Schildpad al heel lang niet meer gezien.
Met haar kun je altijd heel fijn praten.
Berta Schildpad had Timar ook aan land zien komen.
Dat was toen hij voor het eerst het Land van Doen zag.
Berta Schildpad tuurde met haar ogen over Zee.
Dat deed ze bijna elke dag.
Maar niet op dagen dat het feest was.
Dan vergat ze over Zee te kijken.
En feest was het vaak in het Land van Doen.
Er was altijd wel iemand die iets te vieren had.
En die nodigde natuurlijk iedereen uit.
Dat was wel zo gezellig.
Maar op de dag dat ze Timar voor het eerst zag was het geen feest.
Dus tuurde Berta Schildpad met haar ogen over Zee.
Plotseling zag ze een boot varen.
Het was een kleine boot en er zat iemand op.
“Grote mensen komen niet zo vaak naar het Land van Doen,” zei Berta Schildpad hardop.
Er was niemand die het hoorde.
“Meestal zijn het kinderen die komen. Zo te zien is dat ook een kind.”
De boot kwam snel dichterbij.
Het kind keek nu naar Berta Schildpad en zwaaide heel vrolijk.
Berta Schildpad moest erom lachen en zwaaide heel vrolijk terug.
“Ik ga een feestje geven!” riep ze.
Toen zong ze het een paar keer achter elkaar:
“Ik ga een feestje geven! Ik ga een feestje geven!”
Dat was de eerste keer voor Timar dat hij Berta Schildpad zag.
Ze waren meteen heel dikke vrienden van elkaar geworden.
Vandaag is er geen feest in het Land van Doen.
Berta Schildpad zit weer alleen op de rotsen aan Zee.
Dit vindt ze de lekkerste plek.
Lekker rustig een dutje doen of turen.
Uren turen.
En misschien ziet ze wel iets op Zee.
Misschien drijft er wel iets aan.
Of er zwemt iemand naar het strand toe.
Misschien wel een andere schildpad.
Berta Schildpad is de enige schildpad in het Land van Doen.
Er moet toch een andere schildpad zijn die er ook de weg naartoe vindt?
Maar wacht..!
Wat is dat donkergroene stipje daar ver op zee?
Ondertussen…
“Het strand maakt nog één bocht en dan ben ik bij de rotsen,” fluistert Timar.
Hij geniet van alle geluiden aan Zee.
Daar ziet hij in een zandkuil bij de rotsen het schild van Berta Schildpad.
“Berta! Bezoek! Ik ben het!” roept Timar van een afstand.
Een paar tellen later draait Berta Schildpad’s hoofd kijkt zijn kant op.
Ze kijkt wel, maar ze denkt nog aan de donkergroene stip op Zee.
Dan ziet ze hem pas echt.
Ze schudt haar hoofd en strekt haar armen en benen.
Dan staat Berta Schildpad op en zwaait naar Timar.
Timar zwaait terug.
Ze lachen allebei.
“Ik ben zo blij dat je naar me toe komt, Timar.
Ik wil je heel graag iets vertellen.”
“Is er iets gebeurd dan?” vraagt Timar.
Berta Schildpad knikt hard op en neer met haar hoofd.
Hierdoor botst ze met haar neus tegen haar schild.
Maar Berta Schildpad wil het zo graag aan Timar vertellen.
Ze merkt de pijn niet eens echt.
“Ik heb daarnet geloof ik een andere schildpad gezien,” zegt Berta Schildpad.
Timar schrikt –ofzoiets.
Er schokt eventjes iets in hem.
“Waar? Op Zee?”
“Ja, ik geloof dat ik een schild op zee heb gezien, Timar
En er zat een hoofd voor.
Ik weet het zeker, denk ik.
Dat kan toch een andere schildpad geweest zijn, Timar?”
“En of dat kan!” zegt Timar.
“In het Land van Doen woont maar één schildpad.
Dat ben ik,” zegt Berta Schildpad.
Klinkt ze daar een beetje droevig?
“Och, dommie!” zegt Timar dan zachtjes.
“Al wonen hier véértien schildpadden, niemand is zoals jij!
Ik ben zo blij voor je, lieve Berta.”
Berta wordt verlegen.
Ze trekt haar hoofd iets terug in haar schild.
Timar ziet het en kust Berta Schildpad op haar wang.
Dan gaat haar hoofd helemaal naar binnen.
Uit haar schild klinkt met een galm Berta Schildpad’s stem:
“Het is niet dat ik jullie niet lief vind, dat weet je toch?”
“Ach, Berta, dat weet je toch zelf?” antwoordt Timar.
“Jij en ik zijn al duizend jaar vrienden.
Dat gaat nooit voorbij.”
Timar en Berta Schildpad zijn dan allebei eventjes stil.
Misschien denken ze terug aan al die duizend jaren.
Of misschien een klein stukje daarvan.
Een stukje waar ze samen heel erg vrolijk waren.
Of verdrietig.
Want samen verdrietig zijn kan ook fijn zijn.
Dan vraagt Timar: “Zal ik met jou samen kijken over Zee?”
Berta Schildpad steekt haar hoofd weer naar buiten.
“Vind je dat een leuk idee?” vraagt Berta Schildpad.
Ze weet even niet zeker of Timar dat echt wil.
“Ik hou van Zee. Ik kijk graag naar hem.”
Berta Schildpad knikt.
Dit keer iets voorzichtiger.
Haar neus deed toch nog een beetje zeer.
Berta Schildpad en Timar zeggen allebei even niets.
Dan fluistert Timar: “En misschien zien we nog wel iemand op Zee.”
Samen staren ze lang naar Zee.
Zon is al een beetje aan het zakken.
“Misschien neemt Erik Ekster nu een duik.” denkt Timar.
Hij weet niet eens dat hij het hardop zegt.
Berta Schildpad kijkt naar heel ver weg.
Ze heeft een grote glimlach om haar mond.
pepé: lettermenger.
En dat Land van Doen ligt veel dichterbij dan jij denkt.
Kinderen komen er vaker dan grote mensen.
Kinderen kunnen namelijk gemakkelijker de weg naar het Land van Doen vinden.
Tenminste, dat zeggen ze.
Op een ochtend loopt Timar langs het strand.
Timar lijkt als enige op een mens in heel het Land van Doen.
Niemand weet precies waar hij vandaan komt.
Er wordt gezegd dat zijn vader en moeder heel ver weg wonen.
Ooit, op één van zijn avonturen kwam Timar toevallig in het Land van Doen.
Toen is hij nooit meer weg gegaan.
Zo leuk vindt hij het hier met iedereen.
Bij het strand schuilen de vogels in de schaduw.
De schaduw van de bladeren aan de bomen.
Daar ziet Timar Erik Ekster in een palmboom zitten.
“Het is lekker warm hè, Erik?” roept Timar naar hem.
“Vreselijk,” antwoordt Erik. “Soms wilde ik dat ik helemaal wit was en niet wit-zwart.
Mijn zwarte veren voelen nu zo heet aan, Timar.
Waren mijn veren maar een jas zoals jij die hebt.
Dan kon ik die nu ook uitdoen.”
“Neem strakjes een lekkere duik in Zee,” roept Timar.
Hij zwaait naar Erik en wandelt verder.
“Duiken is het allerlekkerst als Zon aan het ondergaan is.
Ik doe eerst nog even een dutje met mijn vrienden.
Dag Timar!”
Timar loopt verder, want hij wil nog naar Berta Schildpad toe.
Timar heeft Berta Schildpad al heel lang niet meer gezien.
Met haar kun je altijd heel fijn praten.
Berta Schildpad had Timar ook aan land zien komen.
Dat was toen hij voor het eerst het Land van Doen zag.
Berta Schildpad tuurde met haar ogen over Zee.
Dat deed ze bijna elke dag.
Maar niet op dagen dat het feest was.
Dan vergat ze over Zee te kijken.
En feest was het vaak in het Land van Doen.
Er was altijd wel iemand die iets te vieren had.
En die nodigde natuurlijk iedereen uit.
Dat was wel zo gezellig.
Maar op de dag dat ze Timar voor het eerst zag was het geen feest.
Dus tuurde Berta Schildpad met haar ogen over Zee.
Plotseling zag ze een boot varen.
Het was een kleine boot en er zat iemand op.
“Grote mensen komen niet zo vaak naar het Land van Doen,” zei Berta Schildpad hardop.
Er was niemand die het hoorde.
“Meestal zijn het kinderen die komen. Zo te zien is dat ook een kind.”
De boot kwam snel dichterbij.
Het kind keek nu naar Berta Schildpad en zwaaide heel vrolijk.
Berta Schildpad moest erom lachen en zwaaide heel vrolijk terug.
“Ik ga een feestje geven!” riep ze.
Toen zong ze het een paar keer achter elkaar:
“Ik ga een feestje geven! Ik ga een feestje geven!”
Dat was de eerste keer voor Timar dat hij Berta Schildpad zag.
Ze waren meteen heel dikke vrienden van elkaar geworden.
Vandaag is er geen feest in het Land van Doen.
Berta Schildpad zit weer alleen op de rotsen aan Zee.
Dit vindt ze de lekkerste plek.
Lekker rustig een dutje doen of turen.
Uren turen.
En misschien ziet ze wel iets op Zee.
Misschien drijft er wel iets aan.
Of er zwemt iemand naar het strand toe.
Misschien wel een andere schildpad.
Berta Schildpad is de enige schildpad in het Land van Doen.
Er moet toch een andere schildpad zijn die er ook de weg naartoe vindt?
Maar wacht..!
Wat is dat donkergroene stipje daar ver op zee?
Ondertussen…
“Het strand maakt nog één bocht en dan ben ik bij de rotsen,” fluistert Timar.
Hij geniet van alle geluiden aan Zee.
Daar ziet hij in een zandkuil bij de rotsen het schild van Berta Schildpad.
“Berta! Bezoek! Ik ben het!” roept Timar van een afstand.
Een paar tellen later draait Berta Schildpad’s hoofd kijkt zijn kant op.
Ze kijkt wel, maar ze denkt nog aan de donkergroene stip op Zee.
Dan ziet ze hem pas echt.
Ze schudt haar hoofd en strekt haar armen en benen.
Dan staat Berta Schildpad op en zwaait naar Timar.
Timar zwaait terug.
Ze lachen allebei.
“Ik ben zo blij dat je naar me toe komt, Timar.
Ik wil je heel graag iets vertellen.”
“Is er iets gebeurd dan?” vraagt Timar.
Berta Schildpad knikt hard op en neer met haar hoofd.
Hierdoor botst ze met haar neus tegen haar schild.
Maar Berta Schildpad wil het zo graag aan Timar vertellen.
Ze merkt de pijn niet eens echt.
“Ik heb daarnet geloof ik een andere schildpad gezien,” zegt Berta Schildpad.
Timar schrikt –ofzoiets.
Er schokt eventjes iets in hem.
“Waar? Op Zee?”
“Ja, ik geloof dat ik een schild op zee heb gezien, Timar
En er zat een hoofd voor.
Ik weet het zeker, denk ik.
Dat kan toch een andere schildpad geweest zijn, Timar?”
“En of dat kan!” zegt Timar.
“In het Land van Doen woont maar één schildpad.
Dat ben ik,” zegt Berta Schildpad.
Klinkt ze daar een beetje droevig?
“Och, dommie!” zegt Timar dan zachtjes.
“Al wonen hier véértien schildpadden, niemand is zoals jij!
Ik ben zo blij voor je, lieve Berta.”
Berta wordt verlegen.
Ze trekt haar hoofd iets terug in haar schild.
Timar ziet het en kust Berta Schildpad op haar wang.
Dan gaat haar hoofd helemaal naar binnen.
Uit haar schild klinkt met een galm Berta Schildpad’s stem:
“Het is niet dat ik jullie niet lief vind, dat weet je toch?”
“Ach, Berta, dat weet je toch zelf?” antwoordt Timar.
“Jij en ik zijn al duizend jaar vrienden.
Dat gaat nooit voorbij.”
Timar en Berta Schildpad zijn dan allebei eventjes stil.
Misschien denken ze terug aan al die duizend jaren.
Of misschien een klein stukje daarvan.
Een stukje waar ze samen heel erg vrolijk waren.
Of verdrietig.
Want samen verdrietig zijn kan ook fijn zijn.
Dan vraagt Timar: “Zal ik met jou samen kijken over Zee?”
Berta Schildpad steekt haar hoofd weer naar buiten.
“Vind je dat een leuk idee?” vraagt Berta Schildpad.
Ze weet even niet zeker of Timar dat echt wil.
“Ik hou van Zee. Ik kijk graag naar hem.”
Berta Schildpad knikt.
Dit keer iets voorzichtiger.
Haar neus deed toch nog een beetje zeer.
Berta Schildpad en Timar zeggen allebei even niets.
Dan fluistert Timar: “En misschien zien we nog wel iemand op Zee.”
Samen staren ze lang naar Zee.
Zon is al een beetje aan het zakken.
“Misschien neemt Erik Ekster nu een duik.” denkt Timar.
Hij weet niet eens dat hij het hardop zegt.
Berta Schildpad kijkt naar heel ver weg.
Ze heeft een grote glimlach om haar mond.
vrijdag 2 maart 2012
Lettermenger in Wonderland.
Dit is geen kinderverhaaltje.
En toch is het dat toch.
Het is heel erg waar.
Maar het is toch niet waar?
Als je nog durft,
lees het dan maar.
Maar je bent gewaarschuwd!
Stel je toch voor, er was eens een jongen, ze noemden hem Lettermenger.
Hij studeerde van taal en van toneel, maar kwam na dit alles bij een bank te werken.
Waarom rijmt er nu plots het woord "vlerken"?
Goed, hij hield het daar acht jaren vol, maar steeds meer voor minder, steeds krommer zaken rechter pratend, nam Lettermenger afscheid en vond een andere baas. Hopelijk een lievere.
Hij ging de zorg in. Voortaan haalden zijn collega's en hij elke middag kinderen van school af met soms een verstandelijke en vaak een opvoedings-achterstand.
In het weekend fietste Lettermenger in zijn eentje vijftien kilometers ver naar een vakantiehuisje, waar hij een heel weekend met vier kinderen er het lolligst en vermakelijkst mogelijk van maakte -met een budget van luttele knaken.
Lettermenger schrok!
Hij zag dat de persoonlijke papieren van zijn kids werden opgeslagen in plastic Curverkratten, die werden neergezet in een garage op het vakantiepark, waar iedereen eigenlijk vrij eenvoudig binnenkomen kunnen zou.
Hij vroeg zijn baas of dat wel kon, wilde eigenlijk zeggen dat dit niet kon.
Zijn baas beloofde een kluis.
Die kwam toen Lettermenger al lang ziek van alles was.
Dat vertel ik je nu dan maar vast.
Maar Lettermenger schrok van nog een heleboel meer!
Hij vroeg zich af of het eigenlijk wel veilig was dat hij in zijn eentje met vier kinderen in één vakantiehuisje zat.
"Ja," antwoordde zijn baas, "er is nog een ander vakantiehuisje waar een collega van jou zit met nog vier kinderen."
"Maar die zijn er niet altijd, want er zijn niet altijd kinderen die bij ons hun weekend komen vieren. Wat dan?"
"Dan heb je de noodtelefoon nog. Die mag jij dan bellen."
Dat had Lettermenger een keer gedaan.
Hij kreeg toen de baas van de baas aan de telefoon!
En het was weekend, dus die had misschien niet zo'n zin in telefoon.
Ik zal het je vertellen wat er dat weekend gebeurde.
Lettermenger zou drie kinderen in het huisje op bezoek krijgen, zo had zijn baas verteld.
Toen ze alledrie in huis waren, wilde hij gaan vragen wat ze dit weekend allemaal wilden gaan doen.
Maar de bel ging!
Er stond nog een meisje voor de deur!
Lettermenger had helemaal niet te horen gekregen dat zij dit weekend komen zou.
Er waren ook helemaal geen papieren van dit meisje aan hem gegeven.
Dus hij wist niet waar ze woonde en wie hij dus moest bellen als er iets aan de hand was.
Dan zul je zien dat juist dan dat toch gebeurt.
Het meisje kreeg heimwee. Dat betekent dat je terug naar huis toe wil. Dat ken je misschien wel.
Maar Lettermenger kon haar niet terug naar huis toe brengen.
"De noodtelefoon!" dacht hij toen.
Hij belde de noodtelefoon en kreeg de baas van de baas eraan.
Weet je wat die hem zei?
"Dan laat je de kinderen toch alleen als jij klaar bent met werken. Ga maar naar huis."
Maarja, dat kon Lettermenger toch niet doen?
Hij had zijn baas ook om iets anders gevraagd of dat wel mocht, één verzorger met vier kinderen in één huisje.
Je weet zelf, er zijn ook grote mensen die niet met hun vingers van kinderen af kunnen blijven.
Die vieze spelletjes met kinderen willen doen.
Dan moet je toch wel een beetje ervoor zorgen dat dat niet kan. Toch?
Weet je wat zijn baas toen zei:
"Iedereen die bij ons werkt moet naar de gemeente. Daar moeten ze een papieren bewijs ophalen waarop staat dat ze nooit iets verkeerds hebben gedaan als werker in de zorg. Met een stempel erop!"
"Maar daarna is het toch ook slim om af en toe te controleren of het goed gaat? Niet alleen om vieze spelletjes, maar er kunnen ook andere dingen gebeuren."
"Wij vertrouwen onze medewerkers," zei zijn baas -en daarmee moest het uit zijn.
Weet je nog waarvoor die Lettermenger had geleerd? Oja! Taal en toneel. En ook over opvoeden hoor. Maar dat was alweer lang geleden dat hij daar iets mee had gedaan. Hij had acht jaar lang bij zo'n bank gewerkt, weet je wel?
Die eerste dag dat Lettermenger niet op kantoor maar bij de kinderopvang binnenkwam, dat was wel even wennen!
Geen computers en kantoortafels, maar speelgoed en klimrekken!
En weet je wat? Zijn collega vertelde hem in een half uur wat hij allemaal doen moest en waar alles lag. En dat was het. Zo moest hij het maar weten.
Zo gebeurden er nog een heleboel meer dingen.
Lettermenger werd er heel erg ziek van.
Nu werkt hij er niet meer.
Nu mengt hij alleen nog letters.
Daar wordt hij wel heel blij van.
Hij schrijft dit verhaal voor jou.
Als jij hem hebt gekend van toen, daar bij de opvang, doordeweeks of in het weekend,
dan doet hij jou de hartelijke groeten.
Het doet hem pijn dat hij is gegaan,
dat was zeker niet om jullie!
Hey, dame! Jij kunt dansen als de beste, omdat je straalt en omdat jij kunt zweven terwijl je danst!
En hey, hooligan! Ben een beetje een lieve hooligan enne - ook jij zit in mijn hart, hoor!
En hey, wonderboy! Ik hoop dat je nog een heleboel meer mensen ontmoet waarmee je een lijntje hebt dat geen woorden nodig heeft. Door jou ook heb ik anders leren
Lettermengern...
En toch is het dat toch.
Het is heel erg waar.
Maar het is toch niet waar?
Als je nog durft,
lees het dan maar.
Maar je bent gewaarschuwd!
Stel je toch voor, er was eens een jongen, ze noemden hem Lettermenger.
Hij studeerde van taal en van toneel, maar kwam na dit alles bij een bank te werken.
Waarom rijmt er nu plots het woord "vlerken"?
Goed, hij hield het daar acht jaren vol, maar steeds meer voor minder, steeds krommer zaken rechter pratend, nam Lettermenger afscheid en vond een andere baas. Hopelijk een lievere.
Hij ging de zorg in. Voortaan haalden zijn collega's en hij elke middag kinderen van school af met soms een verstandelijke en vaak een opvoedings-achterstand.
In het weekend fietste Lettermenger in zijn eentje vijftien kilometers ver naar een vakantiehuisje, waar hij een heel weekend met vier kinderen er het lolligst en vermakelijkst mogelijk van maakte -met een budget van luttele knaken.
Lettermenger schrok!
Hij zag dat de persoonlijke papieren van zijn kids werden opgeslagen in plastic Curverkratten, die werden neergezet in een garage op het vakantiepark, waar iedereen eigenlijk vrij eenvoudig binnenkomen kunnen zou.
Hij vroeg zijn baas of dat wel kon, wilde eigenlijk zeggen dat dit niet kon.
Zijn baas beloofde een kluis.
Die kwam toen Lettermenger al lang ziek van alles was.
Dat vertel ik je nu dan maar vast.
Maar Lettermenger schrok van nog een heleboel meer!
Hij vroeg zich af of het eigenlijk wel veilig was dat hij in zijn eentje met vier kinderen in één vakantiehuisje zat.
"Ja," antwoordde zijn baas, "er is nog een ander vakantiehuisje waar een collega van jou zit met nog vier kinderen."
"Maar die zijn er niet altijd, want er zijn niet altijd kinderen die bij ons hun weekend komen vieren. Wat dan?"
"Dan heb je de noodtelefoon nog. Die mag jij dan bellen."
Dat had Lettermenger een keer gedaan.
Hij kreeg toen de baas van de baas aan de telefoon!
En het was weekend, dus die had misschien niet zo'n zin in telefoon.
Ik zal het je vertellen wat er dat weekend gebeurde.
Lettermenger zou drie kinderen in het huisje op bezoek krijgen, zo had zijn baas verteld.
Toen ze alledrie in huis waren, wilde hij gaan vragen wat ze dit weekend allemaal wilden gaan doen.
Maar de bel ging!
Er stond nog een meisje voor de deur!
Lettermenger had helemaal niet te horen gekregen dat zij dit weekend komen zou.
Er waren ook helemaal geen papieren van dit meisje aan hem gegeven.
Dus hij wist niet waar ze woonde en wie hij dus moest bellen als er iets aan de hand was.
Dan zul je zien dat juist dan dat toch gebeurt.
Het meisje kreeg heimwee. Dat betekent dat je terug naar huis toe wil. Dat ken je misschien wel.
Maar Lettermenger kon haar niet terug naar huis toe brengen.
"De noodtelefoon!" dacht hij toen.
Hij belde de noodtelefoon en kreeg de baas van de baas eraan.
Weet je wat die hem zei?
"Dan laat je de kinderen toch alleen als jij klaar bent met werken. Ga maar naar huis."
Maarja, dat kon Lettermenger toch niet doen?
Hij had zijn baas ook om iets anders gevraagd of dat wel mocht, één verzorger met vier kinderen in één huisje.
Je weet zelf, er zijn ook grote mensen die niet met hun vingers van kinderen af kunnen blijven.
Die vieze spelletjes met kinderen willen doen.
Dan moet je toch wel een beetje ervoor zorgen dat dat niet kan. Toch?
Weet je wat zijn baas toen zei:
"Iedereen die bij ons werkt moet naar de gemeente. Daar moeten ze een papieren bewijs ophalen waarop staat dat ze nooit iets verkeerds hebben gedaan als werker in de zorg. Met een stempel erop!"
"Maar daarna is het toch ook slim om af en toe te controleren of het goed gaat? Niet alleen om vieze spelletjes, maar er kunnen ook andere dingen gebeuren."
"Wij vertrouwen onze medewerkers," zei zijn baas -en daarmee moest het uit zijn.
Weet je nog waarvoor die Lettermenger had geleerd? Oja! Taal en toneel. En ook over opvoeden hoor. Maar dat was alweer lang geleden dat hij daar iets mee had gedaan. Hij had acht jaar lang bij zo'n bank gewerkt, weet je wel?
Die eerste dag dat Lettermenger niet op kantoor maar bij de kinderopvang binnenkwam, dat was wel even wennen!
Geen computers en kantoortafels, maar speelgoed en klimrekken!
En weet je wat? Zijn collega vertelde hem in een half uur wat hij allemaal doen moest en waar alles lag. En dat was het. Zo moest hij het maar weten.
Zo gebeurden er nog een heleboel meer dingen.
Lettermenger werd er heel erg ziek van.
Nu werkt hij er niet meer.
Nu mengt hij alleen nog letters.
Daar wordt hij wel heel blij van.
Hij schrijft dit verhaal voor jou.
Als jij hem hebt gekend van toen, daar bij de opvang, doordeweeks of in het weekend,
dan doet hij jou de hartelijke groeten.
Het doet hem pijn dat hij is gegaan,
dat was zeker niet om jullie!
Hey, dame! Jij kunt dansen als de beste, omdat je straalt en omdat jij kunt zweven terwijl je danst!
En hey, hooligan! Ben een beetje een lieve hooligan enne - ook jij zit in mijn hart, hoor!
En hey, wonderboy! Ik hoop dat je nog een heleboel meer mensen ontmoet waarmee je een lijntje hebt dat geen woorden nodig heeft. Door jou ook heb ik anders leren
Lettermengern...
Het allerzachtste moment.
"Zullen we naar boven?" vroeg je oom op die inmiddels pijnlijk bekend geworden toon van hem. Hoe kon hij een broer zijn, van het zelfde vlees en bloed als van jouw vader? Je dader en je maker; één baarmoeder. Wat deed hem naar de jouwe wroeten en wie van jullie moest er het hardst voor boeten?
Je was jong en je ouders hadden je geleerd wat gezag was, dus volgde je gedwee zijn knarsende treden de trap op, keek naar je kleurige kousen bij het klimmen, niet, nee nooit meer omhoog naar zijn harige peesbenen.
"We gaan naar Slovenië," onthaalden je ouders jou, thuiskomend van school met je volgeschreven boekenrugzak. Je moeder zei het, haar stralende ogen prijkten boven haar leesbril uit, terwijl ze in haar favoriete stoel haar kennis van de menselijke psyche bijvijzelde en verrijkte. Ze klonk opgelucht om het vooruitzicht. Het was een week na weken van ijzigstil wikken en wegen, gecreëerd toen jij ze vertelde over wat hun kind nooit had willen leren, van haar oom.
We hebben er tot op heden nooit samen over gepraat. Ja, wel over jou. Maar niet over hoe oud wij waren, toen het allemaal begon, niet gedeeld hoe we het elk ervoeren, de spellen waar we nog niet klaar voor waren, we hadden daar nog niet eens haren, die kwamen pas de jaren daarna en zo lang ook sleepte dit allesverwarrende ons voort.
"Ons" was er pas echter in Koritno, waar in het hoogseizoen een tent en een vouwwagen aan een T-splitsing op een camping stonden en je vader en jij terug naar de tent liepen na een waterflessenduel met een bal, dat jij met gemak had gewonnen. Of "gemak"; eerder brute kracht. Je pa aanvaardde zijn nederlaag allerminst alszodanig en lachend flipflapten jullie over grint en gras, naar waar een pan midden op tafel, door vier borden omringd, geplaatst werd door jouw moeder, terwijl jouw broer al wat uit de stokbroodmand vrat.
"Vraag haar na het eten of ze met jullie wil badmintonnen," had ònze moeder tegen mijn broer en mij gezegd, terwijl wij ook gevieren vergelijkbaar aanzaten. Die partij kwam er. Die avond. Inmiddels een menigmaal opgehaald moment.
Nu een vraag in het algemeen: Zou dat ook die stille herkenning teweegbrengen, onderling, bij zo'n eerste ontmoeting dóór het gezicht van de ander heen soms die allerwreedste ogenblikken gespiegeld te zien? En vooral dat uit het miniemste al blijkt hoezeer een behoedzaam geduld in het samenzijn, en dan de liefde, wordt gewaardeerd?
"De liefde", wat heeft het voorgaande dáármee te maken? Behalve die eerste camping-match, het zwemmen in het meer van Bled, de nachtelijke wandelingen weg van de tenten en weer terug, ultiem vanwege het vanzelfzwijgende. Wrang dan de gedachte toen begerig te hebben willen kijken naar elkaars lichaam. -Nee! Jij was benieuwd naar mijn geest als ik naar de jouwe. Dat eerst. Voor alles. En het beviel. Dat was voldoende intens voor ons vijftienjarigen.
"En als je dit door blijft doen komt er wit spil uit."
Hij noemde het woord ervoor.
Maar bij mij kwam het nog niet.
Bij hem wel, bleek toen ik het daarna bij hem deed.
Met de combinatie van ons geheim èn het aangewakkerd verlangen dit ook mijn eigen lijf te zien kunnen, bracht hij me in een slaafse fascinatie, die grif uitgebuit werd door deze drijver van mij.
"Het allerlekkerst is het als je het met je mond doet," maande hij me vaak.
Zijn hand op mijn hoofd dirigeerde het gewenste tempo.
Terwijl hij het in me gutste, spoorde hij mij aan, hield mijn mond erbij in positie, schokkend vlees tussen mijn lippen, vocht dat smaakte naar niets dat ik kende -en hoe hardnekkig het bleef kleven aan 't gehemelte, het door te slikken.
Het allerzachtste moment gaf jij mij, de nacht van jouw zestiende verjaardagsfeest. Zes tieners in jouw slaapkamer die elkaar dat zelfde jaar in Slovenië troffen. Het licht was al uitgedaan voordat eenieder haar en zijn kleding voor slaapgoed verruilde. Melig gewauwel verstomde gestaag, maakte plaats voor het zachte gezang van de nacht, haast onhoorbaar en daarom zo zalvend voor dromen.
Alleen een hart vol van passie vangt die klanken, want haar snaren zijn met liefde gespannen en speelt niets anders liever dan die melodieën. Het zou me allerminst verbazen wanneer twee die elkaar bezingen, in elk geval de onze daar, het klinken óp- doch niet letterlijk -vingen.
Zo, vanonder jouw dekbed, jouw luchtbed naast het mijne, vanuit mijn slaapzak, hoe licht het leek in dat duister, dat moment dat huid huid raakte, twee handen, hoe behoedzaam onze vingers kringelden, dan jouw hand de mijne warm omsloot en hoe graag de mijne liefst tegelijk ééngelijk blijk wilde geven.
(Die zelfde hand die dit nu schrijft.)
"Nu" zijn voor ons opnieuw acht jaren verstreken. Bij een rode rozenstruik die ik onderweg naar huis in volle bloei zag staan, dacht ik als de natuur aan jou. Eerst schrok ik van de hartezang die dat teweegbracht. Want waar staat de tent, in welk land ballen jullie waterflessen tot vallen met nu jouw eigen gezin? Dat was het pad dat voorafging aan dit schrijven.
Weet jij welke melodieën jouw hart zingt in de nacht? En klinken jouw dagen eender? Weet jij dan wanneer onze handen zijn losgeraakt? Of is dat ogenschijnlijk? Misschien was ik het, liet ik jouw hand los uit een verwrongen verlangen te voorkomen te beklemmen, een voorgevoel daarvan al was teveel.
Een enkel lied zul je nooit vergeten, eens gehoord, eens erdoor gegrepen, al zou je willen, dus rest je niets dan het een gerieflijk plekje te geven, ergens waar, tussen ons gehele repertoire, het nog, af en toe spontaan, of bij het doorneuzen der mappen, klinkt, twinkelt overheen het stille indigo.
pepé: lettermenger.
Je was jong en je ouders hadden je geleerd wat gezag was, dus volgde je gedwee zijn knarsende treden de trap op, keek naar je kleurige kousen bij het klimmen, niet, nee nooit meer omhoog naar zijn harige peesbenen.
"We gaan naar Slovenië," onthaalden je ouders jou, thuiskomend van school met je volgeschreven boekenrugzak. Je moeder zei het, haar stralende ogen prijkten boven haar leesbril uit, terwijl ze in haar favoriete stoel haar kennis van de menselijke psyche bijvijzelde en verrijkte. Ze klonk opgelucht om het vooruitzicht. Het was een week na weken van ijzigstil wikken en wegen, gecreëerd toen jij ze vertelde over wat hun kind nooit had willen leren, van haar oom.
We hebben er tot op heden nooit samen over gepraat. Ja, wel over jou. Maar niet over hoe oud wij waren, toen het allemaal begon, niet gedeeld hoe we het elk ervoeren, de spellen waar we nog niet klaar voor waren, we hadden daar nog niet eens haren, die kwamen pas de jaren daarna en zo lang ook sleepte dit allesverwarrende ons voort.
"Ons" was er pas echter in Koritno, waar in het hoogseizoen een tent en een vouwwagen aan een T-splitsing op een camping stonden en je vader en jij terug naar de tent liepen na een waterflessenduel met een bal, dat jij met gemak had gewonnen. Of "gemak"; eerder brute kracht. Je pa aanvaardde zijn nederlaag allerminst alszodanig en lachend flipflapten jullie over grint en gras, naar waar een pan midden op tafel, door vier borden omringd, geplaatst werd door jouw moeder, terwijl jouw broer al wat uit de stokbroodmand vrat.
"Vraag haar na het eten of ze met jullie wil badmintonnen," had ònze moeder tegen mijn broer en mij gezegd, terwijl wij ook gevieren vergelijkbaar aanzaten. Die partij kwam er. Die avond. Inmiddels een menigmaal opgehaald moment.
Nu een vraag in het algemeen: Zou dat ook die stille herkenning teweegbrengen, onderling, bij zo'n eerste ontmoeting dóór het gezicht van de ander heen soms die allerwreedste ogenblikken gespiegeld te zien? En vooral dat uit het miniemste al blijkt hoezeer een behoedzaam geduld in het samenzijn, en dan de liefde, wordt gewaardeerd?
"De liefde", wat heeft het voorgaande dáármee te maken? Behalve die eerste camping-match, het zwemmen in het meer van Bled, de nachtelijke wandelingen weg van de tenten en weer terug, ultiem vanwege het vanzelfzwijgende. Wrang dan de gedachte toen begerig te hebben willen kijken naar elkaars lichaam. -Nee! Jij was benieuwd naar mijn geest als ik naar de jouwe. Dat eerst. Voor alles. En het beviel. Dat was voldoende intens voor ons vijftienjarigen.
"En als je dit door blijft doen komt er wit spil uit."
Hij noemde het woord ervoor.
Maar bij mij kwam het nog niet.
Bij hem wel, bleek toen ik het daarna bij hem deed.
Met de combinatie van ons geheim èn het aangewakkerd verlangen dit ook mijn eigen lijf te zien kunnen, bracht hij me in een slaafse fascinatie, die grif uitgebuit werd door deze drijver van mij.
"Het allerlekkerst is het als je het met je mond doet," maande hij me vaak.
Zijn hand op mijn hoofd dirigeerde het gewenste tempo.
Terwijl hij het in me gutste, spoorde hij mij aan, hield mijn mond erbij in positie, schokkend vlees tussen mijn lippen, vocht dat smaakte naar niets dat ik kende -en hoe hardnekkig het bleef kleven aan 't gehemelte, het door te slikken.
Het allerzachtste moment gaf jij mij, de nacht van jouw zestiende verjaardagsfeest. Zes tieners in jouw slaapkamer die elkaar dat zelfde jaar in Slovenië troffen. Het licht was al uitgedaan voordat eenieder haar en zijn kleding voor slaapgoed verruilde. Melig gewauwel verstomde gestaag, maakte plaats voor het zachte gezang van de nacht, haast onhoorbaar en daarom zo zalvend voor dromen.
Alleen een hart vol van passie vangt die klanken, want haar snaren zijn met liefde gespannen en speelt niets anders liever dan die melodieën. Het zou me allerminst verbazen wanneer twee die elkaar bezingen, in elk geval de onze daar, het klinken óp- doch niet letterlijk -vingen.
Zo, vanonder jouw dekbed, jouw luchtbed naast het mijne, vanuit mijn slaapzak, hoe licht het leek in dat duister, dat moment dat huid huid raakte, twee handen, hoe behoedzaam onze vingers kringelden, dan jouw hand de mijne warm omsloot en hoe graag de mijne liefst tegelijk ééngelijk blijk wilde geven.
(Die zelfde hand die dit nu schrijft.)
"Nu" zijn voor ons opnieuw acht jaren verstreken. Bij een rode rozenstruik die ik onderweg naar huis in volle bloei zag staan, dacht ik als de natuur aan jou. Eerst schrok ik van de hartezang die dat teweegbracht. Want waar staat de tent, in welk land ballen jullie waterflessen tot vallen met nu jouw eigen gezin? Dat was het pad dat voorafging aan dit schrijven.
Weet jij welke melodieën jouw hart zingt in de nacht? En klinken jouw dagen eender? Weet jij dan wanneer onze handen zijn losgeraakt? Of is dat ogenschijnlijk? Misschien was ik het, liet ik jouw hand los uit een verwrongen verlangen te voorkomen te beklemmen, een voorgevoel daarvan al was teveel.
Een enkel lied zul je nooit vergeten, eens gehoord, eens erdoor gegrepen, al zou je willen, dus rest je niets dan het een gerieflijk plekje te geven, ergens waar, tussen ons gehele repertoire, het nog, af en toe spontaan, of bij het doorneuzen der mappen, klinkt, twinkelt overheen het stille indigo.
pepé: lettermenger.
Abonneren op:
Reacties (Atom)