maandag 5 augustus 2013

zondag 4 augustus 2013

Kapit Al' Isme




er was er is een vadzige man
met de welluidende naam Kapit Al' Isme
ik zig-zag-zeg nu wel een 'man',
maarnee, het klopt, ik vergis me:

hij ziet er in dit verhaal zo uit -
èn omdat hij voor Al' dikke mannen eet.
die noemt hij dan even CEO's ofzo
en voert ze lekker vet met bonuskado's.

Onder(k)wijl zuigt hij hun levens leeg
om zelf nóg vadziger te worden.
en de CEO's, díé op hun beurt
moeten zelf uit vreten zoeken.

Kapit Al' Isme, onze vadzige man,
verleidt geniepig de jongelingen,
want "Jong geleerd is oud gedaan,"
dus dringt Kapit Al' vroeg bij ze binnen.

hij heeft Vader Staat zover gekregen
elke boreling een brandmerk te geven,
heel vriend'lijk B.S.N. genaamd
en zo in naam van Vader medeschuldig gemaakt

aan wat díé bij Kapit Al' in het krijt Staat.
daarom is er ook de plicht dat je naar school gaat,
omdat je 't uiteindelijk moet terugbetalen
wat voor( )Vader ooit bij Al' Isme's gaan halen.

en Kapit kent vele Vadertjes Staat,
Al' maar dikker en dikker wordt hij
maakt jongelingen gekker en gekker
met een *nu nóg lekkerder* verslavernij.
.
"ja! werken dat jullie zullen
voor Al' zijn mooie spullen!"

en Kapit Al' Isme
wordt dikker en dikker.
hahaha!




pepé: lettermenger.

woensdag 13 juni 2012

Pamflet.

Lichtland's koning looft geloftes aan verklikkers uit.
Dat houdt hem op zijn troon, dat weet iedereen.
En daar iedereen het vreest doet iedereen eraan mee.
Doet iemand niet mee, komt de vorst dat wel ter ore.

Nu hebben we iets ontdekt hier in ons Lichtland.
Ik schrijf nu "we" -dat is misschien precies
wat we ontdekt hebben, nog niet eens zo heel
lang geleden, maar ja, wat wil je met zo'n heerser?

Oh, als dit schrijven, wanneer, dan toch hopelijk
wel dát het komt in juiste handen, de juiste tijd!
Als licht kan duister even zeer verblinden.
Of wij nu licht of duister zijn, wij denken allebei.

Daarnaar streven wij
daarom zullen wij,
spoedig wellicht,
gaan strijden.

We hebben nog niet eens een vlag,
en als, dan is het onze lach.
Ons tandvlees ontbloot
op bijzondere momenten.

Te vaak is die lach gaan vervagen.
Op dat wij hem blijven dragen,
ook, juist op verblindende dagen
als deze.

Dat ik dit ooit, verweerd, terug
mag lezen.



pepé: lettermenger.

Waar is Charlotte?

Achter vier zwarte lijnen tekenden zich haar irissen af.
Meestal had zij haar ogen neergeslagen.
Ook tijdens wanneer zij eens sprak.
Of ze staarde erbij naar een voor ons onzichtbare verte.
Haar paar juwelen hadden meestal wel kleur.
Vaak paars of indigo. Soms dennengroen.

"Ze heeft mijn verkruimelaar nog," zei jij nu, al starend.
Jij staarde nooit zoveel, was meestal onze plannenbron, maar die leek aardig drooggevallen.
Ik wist zelf niet goed hoe of wat.
Niet echt iemand te bellen.

"Ik zou d'r vader niet eens durven te spreken," raadde je mijn gedachten.
Hadden we vaak. Met Charly ook.
Ik pakte mijn wiet uit mijn blikje uit mijn tas. Jij keek.
"Nóg één?"
"En waarom niet?"
"Dat wordt onze derde van vanochtend."
"Alsof die invaller dat merkt. Hij kent onze namen na drie weken niet eens."
"Ik kan zo echt niet meer naar economie toe, Juul."
Je keek me er smekend bij aan.
En zag ik iets glimmen in je linker oog?
Ik vroeg je er niet naar.
We zagen ze van mekaar. Dat wisten we nu wel.

"Misschien staat ze voor de HappyHigh," zei ik, al wisten we allebei dat ze daar nooit in haar eentje zou gaan staan.
"Laten we kijken," probeerde jij gedreven te klinken.
"Eerst even deze af."
Jij zuchtte toen je mijn vorderingen had gecheckt.
Er lag al vloei, maar 't tipboekje moest ik nog pakken.
"Laat mij de tip doen."
"Gaat het niet snel genoeg?"
"Vind ik leuk, weet je toch. Heb ik ook wat te doen. Gaan we echt niet naar die eikel? Heeft ze jou ook verteld over Maus?"
"Maus?"
Ik legde de tabak in kegelvorm op de lange vloei en draaide daarna het wietzakje uit de muis van mijn hand tevoorschijn. Buiten bouwen was een kunst op zich.
"Die van Bianca?" bleef ik naar de joint in wording kijken.
"Ja."
"Nee."

"Juul."
"Britt."
"Juu-huul."
Ik keek op.
Je gaf me het tipje.
Zo mooi als jij, had ik ze niemand anders nog zien maken.
Jongens waren sowieso van rauw, rechttoe rechtaan.

Maus.
Hij zou...
Bianca was pas weken later weer op school.
En de oude was ze sinds die tijd nooit meer geweest.
Zij zat een klas hoger dan wij.

Ik rolde, likte, keek naar jouw zich om elkaar heen draaidende vingers voor je zwarte jurk en haalde mijn aansteker uit het blik.
Terwijl ik het wat dun uitgevallen jointje met perfecte tip aanstak, eraan hees, naar verderop keek, was het hooguit nog tien stappen:
"Charly."
Haar ogen controleerden het trottoir voor haar.
"Pass mij die joint, we moeten zo naar Dooiekont."
"Wil jij echt?" vroeg jij.
Je was tegen het muurtje aan gaan zitten.
"Hij heeft een taart voor Roy bij zich. Als het goed is."
Ik passte Charlotte de joint en blies de rook uit.



pepé: lettermenger.

Haar rivier.

Het water van de rivier stroomt aan haar ogen voorbij. Zo lang al zit zij aan zijn oever te kijken, dromen, smachten. Haar hoop, dat haar kostelijke rivier net zo veel van haar houdt als zij van hem. Dat zijn liefde zo sterk is, dat hij zijn bedding zal verleggen, enkel om haar. Dan zal hij haar meenemen, schoonwassen, haar alles laten zien wat er te zien is. Ze heeft er zo vaak over gefantaseerd.

Dag en nacht zit zij bij haar geliefde. Stoer en koelbloedig stroomt hij aan haar voorbij. En zij, zij zingt hem toe en grient: "Och, zie mij dan, mijn liefdesstroom, negeer mijn hierzijn niet. Aanhoor mijn liederen die ik zing voor jou en jou alleen."

Maar de rivier is kil en baant zijn uitgesleten zelfde weg, zijn eigen eeuwige levenslied zingend. Het houdt haar aandacht vast. Even twinkelt hij in haar ogen en direct vangt dat haar blik. Maar hij twinkelt niet om haar, nee, hij twinkelt. Hij zingt geen lied voor haar, nee, hij zingt. En toch wil zij niets meer dan bij hem zijn. Maar o! Hoe graag zag zij haar liefde toch beantwoord. Al zou hij maar een stukje, nog geen meter, zijn weg haar richting op verleggen...

Jaren stromen voorbij, honderd seizoenen. Haar liefde even sterk. De rivier volgt nog steeds de zelfde bedding. Zij heeft wel duizend liedjes aan zijn zij verzonnen, waarvan ze er sommigen bij regelmaat zingt. Er is er één waar ze de dag sinds jaar en dag mee sluit, vaak met tranen gepaard gaand:


Vanochtend was je zilver
en tjilpte met de mussen,
waste mijn ogen wakker
en wist mijn slaap te blussen.

Toen 't middag werd was je klaar,
ik kon je ziel aanschouwen
en zag dat ik ook je diepste
dieptes kon vertrouwen.

De namen aller namen
ken jij van bron tot zee.
Toe, neem mij in jouw armen,
neem mij toch met jou mee.

Bij 't schemer werd jij duister,
zo diep en mysterieus,
ik, aan jouw stroom gekluisterd,
ik heb en wil geen keus.

En 's avonds werd je rustig,
schonk kalmte ook aan mij,
je kibbelde zo zachtjes
je golfjesvlijerij.

De namen aller namen
ken jij van bron tot zee.
Toe, neem mij in jouw armen,
neem mij toch met je mee.

Nu is het nacht, mijn lieve,
maar jij bent nimmer moe.
Ik leg m'in jou te rusten,
jij stroomt mijn ogen toe.


Honderd seizoenen stroomt hij haar ogen toe en 's ochtends vindt zij vaak 't rivierzout in de hoeken van haar ogen. Op een morgen voelt zij dat de dag een andere is dan alle voorgaande. Hangt het in de lucht? Zingen de vogels een andere melodie? Tijd voor een wisseling van jaargetij is het niet. Is het haar grote liefde? Heeft hij zich eindelijk naar haar toe verschoven? Wordt haar geduld ten slotte dan beloond? Zal zij zijn frisheid voelen aan haar tenen?
Zij staat op en kijkt van horizon naar hier en nog verder, naar waar hij van haar weggaat, maar nee, hij stroomt zoals hij altijd al deed. Het moet iets anders zijn.

Dan voelt zij het. Inderdaad zijn het niet de vogels. 't Is ook niet de lucht, nee, zelfs niet haar rivier. Het is een verandering bij haar van binnen. Ze voelt het niet, ze hóórt het. Het is een stem. Hij roept: "Duik in mij, blijf niet op mij wachten. Ik was je haren, was je huid en ziel. Ik zal je geven wat je mag verwachten en meer dan dat, mijn lief waarvoor ik kniel."
Zij weet, het is zijn stem niet, maar de woorden zijn precies die, die zij altijd verlangt dat hij haar zegt als hij zou kunnen spreken. Dus staat zij op en loopt haar liefde in.

Het water van de rivier stroomt haar ogen in. Dan opent zij haar mond en ook daar vindt de stroming zijn weg. Zij heeft zo lang al aan zijn oever zitten kijken, zitten dromen, zitten smachten. Haar hoop, dat haar kostelijke rivier net zo veel van haar zal houden als zij van hem. Dat zijn liefde zo sterk is, dat hij zijn bedding zal verleggen, enkel om haar. Dan zal hij haar meenemen, schoonwassen, haar alles laten zien wat er te zien is. Ze heeft er al zo vaak over gefantaseerd.

Nu is zij in hem en hij in haar. Zij laat zich door zijn stroom volledig vullen. Eerst haar mond, 't stroomt koel langs haar tanden, spoelt fris over haar tong, vindt vervolgens nieuwe banen in haar keelgat. Zij drinkt hem gulzig, als na te lange dorst. Haar maag en darmen, alles in haar vult zich met het water van haar grote rivier-lief. En vijfentwintig smachtend-droge jaren worden gelaafd naar volle hartelust. Van zijn kolkende vocht kan zij geen genoeg meer krijgen, zij drinkt en drinkt in opperst geluk en hij stroomt door en door.

Haar keelgat vol vult zijn water ook haar longen, verdrukt haar lucht en koelt er iedere cel. Zo gaat zij in haar grote lief ten onder, gelukkiger is zij toch nooit geweest. Want welke andere minnaar geeft zich zo gans, zonder remming aan diegene die om diens liefde vraagt? Niemand dan hij met de namen aller namen, die het zijn kent van de bron tot aan de zee. Nu draagt hij haar, na honderd seizoenen, in zijn armen eindelijk met zich mee.



pepé: lettermenger.
[2003]

Zes seconden uit het duivelse leven van Joachim.

"Niet doen!" hoorde hij iemand schreeuwen. Een nerveuze trilling in de stem. Mannelijk, schor. Een stem van iemand die teveel had meegemaakt. De stem van Stanley, een jongen die niets van zijn leven wist te maken en het daarom maar vulde zoals anderen deden. Anderen, zoals Micha: diepliggende zwarte ogen, zwarte stekels bomvol gel gesmeerd. De grootste stiekemerd. En anderen... vuilnis. Allemaal.
Zijn armen bewogen ongecontroleerd. Er was geen houvast in de omgeving, niets om beet te pakken, de val te remmen of te stoppen met een schok. Nee, niets. Zijn benen kon hij zien, los van de grond, zwevend, vallend, met zijn rug naar beneden. Flapperende kleren, een zuigende broek en alles zo zwaar. Hij voelde zich zo zwaar. Joachim.

"Je hebt het niet gezien," had Stanley hem gezegd en met die woorden ging zijn rechterhand razendsnel naar zijn rechterbroekzak. Niet te volgen, zo met het blote oog.
Ze stonden daar, op de zesde verdieping van de flat. De verdieping waar Joachim's vertrek ook op lag. En het was nacht. Het feest was gezellig geweest. Een beetje veel gedronken, maar alla: hij was toch met de fiets en het was niet ver rijden naar zijn flat.
Gewoon de lift genomen met zijn zware hoofd. Het knopje zes ingedrukt en daar de schok, de zoem en dat zieke gevoel in je maag door het plots stijgen van de lift. Deuren open. De zesde verdieping. Joachim liep naar zijn voordeur. En daar kwam Stanley uit het huis van Joahim's buren. Stak net een dikke portemonnee in zijn linker broekzak.  Stanley deed eerst heel normaal.
"Ha Joachim! Makker," want ze kenden elkaar wel. Maar Joachim was niet zo'n makker van Stanley.
"Wat doe je hier?"
"Ach, m'n werk. Je hebt er veel op, zo te ruiken, of niet? Ga maar gauw rustig slapen, jochie."

"Sukkel!" galmde het door de suizende stilte. En het klonk steeds verder weg. Dat lag aan hem. Want de wind waaide langs zijn oren, aaide nog eens voor het laatst wat ruig zijn haren en nam afscheid van zijn kleren. Het wapperde steeds meer, zo leek het wel.
Hij hoorde voetstappen. Ze renden weg, die laffaards daarboven. Durfden niet hun schuld, hun fouten toe te geven. Maar hij kon het al niet meer zien, alleen nog maar horen.
De aarde trok aan hem. Twee minnaars.
"Kom bij me!" schreeuwde ze, "Kom bij me!", want haar verlangen om aan te raken was groter dan ooit. Het weerzien had te lang geduurd. Haar handen reikten naar hem en sleurden hem naar haar borst. Haar borst waar het leven het leven krijgt, maar waar het ook weer weggenomen wordt. Joachim was machteloos. Haar kracht was alles scheppend en alles verpletterend. En nu had zij hem gekozen. Zij had twee handlangers op hem afgestuurd die haar zouden helpen. En het was haar gelukt. Hij zou schreeuwend, kreunend in haar armen vallen.

"Wat stopte je daar zonet weg?"
Er werd niet lang nagedacht. Op alles was gerekend.
"Mijn portemonnee, jongen, hoezo? Heb jij daar iets mee te maken dan?"
"Maar je woont hier helemaal niet en de mensen die hier wonen, ken je ook niet.
"Wat doet dat? En trouwens, wie zegt dat? Ga jij nou maar pitten. Je bent gewoon stomdronken. Je ziet spoken."
Stanley greep Joachim bij zijn bovenarmen en keerde hem richting eigen woning. Maar Joachim stribbelde tegen.
"Nee! Ik begrijp het wel: je hebt gejat. Gejat!"
"Ga weg. Waarom zou ik?"
Joachim's hand ging naar de linkerbroekzak van Stanley. Hij griste de portemonnee eruit en maakte die meteen open.
"Jaja, jouw portemonnee. Heet je voortaan Miranda Hofman?"
En daar ging Stanley's razendsnelle hand.

Hij was op hoogte van de straatverlichting. Hij zag het schitteren. Zo mooi was het eerder nooit geweest. Dat felle licht tegen dat donkerbruin van de stadslucht. Die vage lichtstralen die telkens anders in zijn ogen vielen. Zijn handen, zijn schoenen en kleding: alles baadde in dit licht.Schoon, nog zuiver en schoon voor...
Hij zag niets onder zich; zijn ogen keken omhoog. Als zijn rug nu eens kon kijken. De straten waar hij zo vaak op gelopen, gefietst, gebromd had en met pech had stilgestaan. Want hij woonde hier al lang en had het naar zijn zin. Onder zijn rug de fijn egaal verharde parkeerplaats. 's Zomers rolschaatsten ze er altijd op. Lekker glad. Als hij toch nog kind was geweest. Maar nee.
Een koude angst was haast onmerkbaar in zijn hoofd geslopen. Die bevroor gedeeltelijk zijn gedachten. Maar hij verzette zich daartegen. Uit alle macht. En de straatverlichting maakte schaduwen op zijn lichaam. Hij werd steeds meer schaduw. En er was al niets meer te horen van Stanley en Micha.

"Weet wat je doet, Stan."
"Dat weet ik heel goed. Als jij dat nu ook eens wist."
Zijn ogen waren strak gericht op het gat in de revolver waar de kogel uit kon komen. En miljoenen vluchtpogingen uit boeken en films ratelden door Joachim's hoofd. Nu was het werkelijkheid. Dit was een boek. Maar welk?
"Nokken."
"Die portemonnee!" en ineens was zijn hand bij de revolver. Hij sloeg het ding uit Stanley's handen en nog voor die het besefte, had Joachim hem stevig in zijn armen vastgeklemd. Ja, zo ging het in dat boek.
"Laat me los!"
Maar het onmogelijke was waar: Joachim's armen waren op slot. Alsof ze daar altijd gezeten hadden. Hij wist niet meer los te laten. Het was ondoenbaar.

Dan een derde kracht. Eerst het tegenstribbelen van Stanley, waarop de wonderlijke houdgreep van Joachim en nu de nieuwe: een lompe sleur, een ruk en het slot was gebroken. Stanley was los en Joachim werd ruw omgedraaid. Diepliggende ogen zwart als de nacht keken hem aan. Zwarte stekels op zijn hoofd als messen. Micha.
"Jij weet teveel," zei hij en dat was alles.



pepé: lettermenger.
[1992]

woensdag 2 mei 2012

Doorbrekende lente.

Zo rond mijn twaalfde moet ik voor het laatst in een speeltuin gespeeld hebben. Ik raakte toendertijd met mijn hand tussen het draaimechanisme van een houten looprad en was voorgoed genezen. Nu zit ik er samen met Robin. De vorst van deze winter ligt al op zijn sterfbed, maar heeft de energie van iemand die zich tot zijn laatste daden toe wil laten gelden. Over de speeltuigen ligt een laagje rijp, daar waar de vandaag spaarzame zonnestralen nog niet zijn gekomen. Tussen het grijs van lucht en grond spelen rood, blauw, groen en geel nu zelf eigenwijs verstoppertje achter ijs. Ze laten een ruimte achter voor mijn geest om het beeld met zelfverzonnen kleuren te bestrijken of vrede te vinden in dat het witberijpt en grijs zal blijven.

Robin zit op een steen naast het rad waar ik in zit. Haar handschoenhanden pakken haar das juist voor beide wangen vast en trekken hem bedachtzaam wat hoger; wat warmer en wat mooier. Robin beeldt haar weten uit. Dat is ook precies wat mij van aanvang aan zo aan haar fascineert. Haar ogen turen over de hekken van de speeltuin heen, maar eigenlijk kijkt ze mij aan. In de breedte van haar blikveld ben ik dan misschien wel niet de focus van haar pupillen, wel van haar geest. Precies zo kijk ik naar het vloeipapier dat zich tussen mijn vingers om de inhoud rolt. Niet in één keer goed, uiteindelijk ook met een buikje in het midden, maar te roken, “en daar gaat het om,” zeg ik dan meestal.

“O, Loki durft weer naar buiten,” wolkt het uit Robin. “De eerste keer dat hij weg was, kwam hij sluipend en klaaglijk mauwend binnen. Hij heeft Freije en mij dagenlang gemeden, at zijn brokjes als wij het niet zagen. Tot hij op een avond weer met opgeheven staart tegen Freijes been aankopte. Vandaag was hij weer een paar uurtjes naar buiten. Ik denk dat hij met een andere kater ruzie heeft gehad, denk je niet?”
“Het ventje.”
Mijn woorden lijken op. Of misschien hebben ze zich allemaal op één plaats gepositioneerd. Als we daar komen zullen ze komen. Ja. dan zullen ze komen.

“Freije is lief voor me, Joost. Door haar voel ik me zo thuis in ons nieuwe huisje. Ze zorgt zo goed voor me, ze neemt cadeautjes voor me mee en maakt lekker eten voor ons klaar. Ik ben heel gelukkig met haar en wil echt proberen oud met haar te worden.”
“Jullie houden echt van elkaar, dat kun je zien. En dat is mooi. Freije is ook een lieve schat. Hoe zij in korte tijd veranderd is van een jonge meid naar een steeds volwassenere en zelfverzekerdere vrouw. Ik hou ook van haar.”
Ook van haar, Robin. Ook! Een geaborteerde wanhoopsschreeuw.
“Ja, Freije is lief,” besluit ik. Ik hoor dat ik het meen. Dan hoort Robin het ook. Dan is het goed.
“O, ik mis haar nu even heel erg, Joost. Maar het is anders met jou en mij alleen. Soms heb ik daar gewoon behoefte aan. Met jou heb ik van die heerlijke gesprekken. Ja, jij bent voor mij ook heel speciaal. Misschien wel even speciaal als Freije voor me is. Alleen dan anders.”

Op een specifieke plaats in mijn brein het begin van rumoer. Er komt beweging in de hoop. Maar Robin beeldt haar weten uit. Alsof natuurkrachten aan haar zijde staan breekt daar en dan de zon door. Robin’s hals ontkiemt bij de eerste tekenen ervan al uit haar wollen das en haar gezicht straalt de zon terug tegemoet. Beduusd murmelt mijn hoop zich weer in stilte.

“Het wordt gauw lente, denk je niet?”
“Ik heb er zin in.”
Te verlangend. Ik denk dat Robin ook wel hoorde dat mijn stem een donker randje had, maar ze zei alleen: “Ja, ik ook.”
In een lente met jou. Gegijzelde armen heb ik vrij-onderhandeld om jou. In al mijn bombast, zie je je naakte minnaar je dan niet in zorgzaam zwijgen naderen? Ik heb menig man mij zijn liefde laten geven en zou ik zeggen dat ik hen niet lief heb gehad, zou ik liegen. Toch heb ik ergens altijd geweten dat een dan nog onbekende vrouw deze knaap zou leren wat het is je aan elkaar te geven. Tot nog toe had ze jouw gezicht, jouw handschoenen en jouw das. Zeg je nu dat ik al die tijd toch een vriend was?

“Zullen we verder lopen?” vraagt Robin me.
Ik kijk naar mijn rechter hand. “Hij is nog niet op. Heel even nog.”
Rookwolkjes boven mijn hoofd. Vraagtekens en gedachten-tekstballonnen. Tot weer enkele van mijn woorden een weg naar buiten vonden.

“Als kind was ik een brokkenpiloot. Ik was niet heel zuinig op mezelf. Hoe vaak ik niet bij de dokter ben geweest om mijn hoofd weer dicht te laten hechten na een valpartij uit een of andere boom of van een schuurtje in de buurt. En hoe er zeven mensen nodig waren om me ondertussen op de stoel stil te houden.”
Ik neem tussendoor de laatste hijs. Robin’s angèsque-open ogen drinken mijn daarzijn.
“Iedere keer was het avontuur verleidelijker dan dat het verstand het eigenlijk goed vond.”
“Dat je toen zo’n klimmer was. Nu moet je niets meer van bewegen hebben.”
Ze lacht er licht spottend bij.
Zie me, Robin. Zie me nu. Ik beweeg. Ik beweeg me onzichtbaar voor jouw ogen nader. Laten we dansen en ja, laten we zo dansen dat we uren, dagen kunnen dansen. We hebben geen haast.
Maar ik roep: “O nee?”
Als ik opspring van het houten rad maak ik het daarbij zachtjes aan het draaien: Om mani padme hung, en vorm dan -of is het dat avontuurlijke jochie? Vorm dan samen met Robin een schaterende gebedsmolen over het grind van de verder vrijwel verlaten speeltuin. Zij eindigt buigend met een lachzucht en vervolgt ons, haar weg eenvoudigwegwandelend. Ik sluit me nalachend bij haar aan.
“Hoe zullen we gaan?” vraag ik.
“We gaan naar de auto.”
“Da’s goed.”

Het schrapen van de kiezels onder onze schoenen scheurt de ruimte tussen Robin en mij bij elke stap een beetje meer uiteen. Misschien dat het nog te redden is, want ook nu kan ik haar vastpakken, aankijken en zoenen op haar mond. De keren dat we elkaar aankeken in ongeacht welke kamer en we op de brug van onze blikken ergens halverwege ervan opstegen, we ondertussen zittend zwegen met een glimlach vanaf onze bank tot Freije binnenkwam met drank en dan zei: “Zitten jullie weer met elkaar te kletsen?”
De autorit terug (ik heb geen rijbewijs) scheurt de tussenruimte verder in. Vanaf ons spreekgestoelte babbelen we over de weg over ons werk en mensen die we kennen, tot we Robin’s stalen aardbei parkeren naast het spoor.
“Sluit ‘ie vanzelf?” vraag ik haar een beetje ongemakkelijk.
“Ja.” Robin lacht nog altijd.

Ik stap uit, stap eruit en merk wat passen later dat ik haar woning niet inga: Voor de deurpost draai ik me om en wuif haar vaarwel met tranen. Ondertussen lopen Robin en ik één voor één over de drempel. Zij eerst. Robin houdt de deur met haar zo open gelaat open en sluit hem achter mij. Buiten loop ik ik weet niet waar naar toe.

Het vlees waar ik nu slechts uit besta kijkt naar de materialen die in de kamer staan. De brandweerrode bank, zandkleurige inkt in verschillende tonen die voor de zwarte achtergrond van de zeefdruk het hoofd van een mediterende boeddha vormt. In een hoek onder een raam patronen van over de hele wereld geborduurd op slopen van een hoop van kussens op de eiken plankenvloer. En al die ruimte tussen stoelen, tafels, alle spullen, al die ruimte eromheen en erboven. Zesendertig vierkante meters en zoveel leegte. Zoveel leegte had ik nog nooit op zo’n oppervlakte gezien. Maarja, hoe kan ik als ik juist mijn ziel verloren ben ook voelen waar de lucht allemaal mee bevrucht is? Ben ik die leegte of zie ik hem? Wat er van mij over is legt zich neer op de hoop in de hoek. Het voelt alsof het die hiermee completeert.

Zit op mij. Ga liggen op mij. En vrij met haar op mij.

Loki groet Robin en snuffelt daarna meewarig aan de gegroeide berg van kussens. Prikkende snorharen spatten het eenheidsgevoel met mijn plek uiteen. Ik bespeur het gat in mij en hoor buiten een ongeschreeuwde noodkreet om een hoek verdwijnen. Ik heb spijt mezelf zo achteloos weg te hebben laten gaan. Ik voel me bezorgd en gehaast -en krijg thee voorgeschoteld.

“O, Joost, ik heb Boeddha van Deepak Chopra echt verslonden,” wijst Robin op de boekenkast. “Ik vind het zo jammer dat ik hem uitheb, ik denk dat ik hem binnenkort nog een keer ga lezen.”
“Ja, die is zeker geweldig. Ik heb erbij moeten lachen en huilen en voelde zo vaak een soort van herkenning in het verhaal. Heel vreemd.”
“Maar jij bent ook een kleine boeddha,” blaast Robin me over haar kopje toe. Het geeft me een pijnscheut en mijn ogen kietelen een beetje.
“Jij ook,” dampt het omhoog van de kussenhoop.
Jij ook. Was het grijs dus hiermee beschilderd? Robin en ik, ook twee boeddhas op dat witberijpte pad richting verlichting. We gaan dus toch niet samen. Ik denk dat ik ben gaan geloven dat je wil. En je wil. Maar niet nu. En niet samen. Niet samen met mij. Of niet per sé niet, ook weer wel, maar niet nu. Nee. Niet nu.

“Joost?”
“Ja?”
“Ik heb toch ooit gezegd dat ik wel wilde onderzoeken of ik kon leven in een soort van relatie met Freije en jou allebei?”
Ik heb gevoeld dat je het kunt.
“Ja.”
Mat.
“Ik voel de laatste tijd steeds sterker dat ik een leven samen met Freije op wil bouwen. Het is niet dat ik minder van jou ben gaan houden, maar het voelt op deze manier goed.”
Ik weet niet wat ik nu allemaal zeg. Ik zeg eigenlijk enkel: “Au…” Ik zegen je, beween je en omarm je. Mijn stembanden lijken tussen het draaimechanisme van een houten looprad te hebben gezeten. Au op au heb ik gesproken. Mijn ziel moet het hebben gehoord.

Bonkend voordeurhout en geschuifel op steen achter de deur in deze kamer.
“Freije,” zegt Robin. Het klinkt alsof ze zich betrapt voelt.
Ik doe open en kijk me aan.
Ik zeg: “Kom, we gaan.”
Ik kijk Robin aan.
“We gaan dus toch niet samen?”


pepé: lettermenger.