maandag 5 maart 2012

Moui.

En inene brak de grond in tweeën, precies tussen haar benen.
Ze keek naar beneden, zag zwart en zwart alleen -of toch even een sprankje?
Links en rechts niet veel meer van dat wat was was overgebleven -na al dat beven.
Wat anders kon ze doen dan Alice achterna -en dan zien?
Dus keek ze nog even naar de evenaar en bracht toen prompt haar benen bij elkaar, met rechts Japan -en links van haar Amerika.

Geen potjes en briefjes bij de val, geen kastjes met laatjes, niets van dat al.
Haar haren leken naar boven te willen grijpen, haar tenen trokken haar juist neer.
"Niets nieuws onder de zon," zei ze terwijl ze viel en viel, "maar dit heb ik nog nooit meegemaakt!"
En jij, heb jij ooit gehoord van een meisje dat tussen twee aardplaten in naar -ja, waarheen eigenlijk tuimelt zij?

Eerst rook ze nog grond rondom en in de valwind, nu rook ze niets meer.
Evenveel eigenlijk als dat ze zag.
"Laat staan proeven," vulde ze haar eigen gedachten aan.
Het was de allereerste keer dat ze "laat staan" in een zin gebruikte. En dat terwijl ze viel. Ze voelde zich er gewichtig door. Zó gewichtig dat ze er sneller van leek te vallen, dus probeerde ze gauw weer aan iets luchtigs te denken.
"Progrestaart! Progrestaart!"
De taart die ze altijd bij oma kreeg.
Nu leek het wel een spreuk van een hogepriesteres, al was het dan wel een beetje een gekke. Maar! Hij leek te werken.

Haar neus, haar ogen, haar tong, niets ving nog iets op.
Ja, de suiswind langs haar huid en oren.
"Aarde!" riep ze een paar keren in de rondte. "Aarde!"
Waar was die gebleven, nog altijd om haar heen?
Aan haar vallen kwam geen einde, op haar roep klonk geen repliek.
Zo gebeurde in dit verhaal niet veel meer dan alleen haar vallen, tot ver onder haar een volgroen lichtje scheen -en toen nóg één.

Daarna voelde zij zich een soortement gedragen.
Vallen deed ze altijd nog, alleen was het nu alsof ze bovenop een parachute zat. Een doorzichtige dan, want de twee groene lichtjes benee' leken haar val te volgen, haar niet los te laten.
Misschien dempte dit ogenblik haar val.
"Aarde?" probeerde ze het nog eens.

"Dappere dame," hoorde ze, als was ze in een enorme kathedraal, "dat is één van mijn namen."
Ze klonk niet als oma; Aarde. Nee, meer als een stem die ze héél lang was vergeten.
Twee windvingers plukten haar uit haar val. Ze voelde zich neergezet, haar voetzolen vonden ondergrond, terwijl onder haar de lichtogen zich even sloten en bij het weer openen zomaar naast haar stonden.

Het groen kleurde ook haar witte jurk lichtgroen.
"Ben ik nog altijd in u?" vroeg ze op haar zachtst aan Aarde.
De lichtrondjes tegenover haar vormden zich even tot ovaaltjes en er klonk een gniffel. Met daarna een echo van een gniffel en een echo van een echo van een gniffel. En een echo van een echo van een echo van een gniffel.
"Ja, Moui, jij bent nog altijd in mij. Ben ik ook nog altijd in jou?"
"Ik denk het wel ja. Ja, u bent ook in mij."
"Hoe weet je dat, Moui?" vroeg Aarde en sloot haar ogen.

Ja, hoe wist ze dat?
Tellen lang was het weer stikdonker. En stil.
Moui schaamde zich niets te kunnen verzinnen.
Ja, wel verzinnen, maar dan zou het verzonnen zijn.
Toen zei ze maar: "Dat weet ik niet."
Wat zou er nu gebeuren? Zou Aarde haar uitspugen? Zou ze haar erom laten vallen?

"Dat kun jij inderdaad niet weten, lieve Moui," in fluister.
"Ik weet niet hoe, maar ik weet wel dát," zei Moui daartegen.
"Wat deed je springen, mensenmeisje?"
"Het was niet leuk meer daar, Aarde. Alles ging kapot."
"Niet leuk meer. Hmm," en de mmmm gonsde nu mmmm om en door Moui's oren mmm.
"En toen liet je je vallen?"
"Ja, maar alleen omdat dat kon."
"Wat had je anders gedaan?"
"Dat weet ik óók niet."
Dit keer ging Aarde daar niet mee akkoord.
"Dat weet je wel."
Duister.
"Echt niet!" probeerde Moui.
Duisternis. En stilte. Alle eerdere echo's waren afgedropen.

Moui voelde hoe haar blik omhoog ging, hopend dat ze daar iets opving, maar nee.
Haar linkerhak zakte in iets weg, onder haar rechterbeen leek de ondergrond het nu ook te gaan begeven. Misschien moest ze nu toch snel een antwoord geven. Of wilde ze verder in het zwarte zakken?
Zeg iets, krrr!, weet iets, rrrak!, bedenk iets ongelofelijk slims, kràààà!, vergeet dat je niks weet! kkk!

"Progrestaart!"
aard! aard! aard! aard! echo... ogen open... In vaart een groene legerwagen op haar af. En alles om haar heen nog altijd -of opnieuw gebroken, met rechts Japan -en links van haar Amerika.
Was dat het juiste antwoord?
Autoportier open, soldaat naar haar toegelopen.
"Tsunami! Tsunami!" greep een ruwe hand Moui bij haar linker arm de Jeep in, scheurde van de scheur vandaan, gevolgd door groene ogen.


pepé: lettermenger.

zaterdag 3 maart 2012

Berta Schildpad.

Er is een land met de naam het Land van Doen.
En dat Land van Doen ligt veel dichterbij dan jij denkt.
Kinderen komen er vaker dan grote mensen.
Kinderen kunnen namelijk gemakkelijker de weg naar het Land van Doen vinden.
Tenminste, dat zeggen ze.

Op een ochtend loopt Timar langs het strand.
Timar lijkt als enige op een mens in heel het Land van Doen.
Niemand weet precies waar hij vandaan komt.
Er wordt gezegd dat zijn vader en moeder heel ver weg wonen.
Ooit, op één van zijn avonturen kwam Timar toevallig in het Land van Doen.
Toen is hij nooit meer weg gegaan.
Zo leuk vindt hij het hier met iedereen.

Bij het strand schuilen de vogels in de schaduw.
De schaduw van de bladeren aan de bomen.
Daar ziet Timar Erik Ekster in een palmboom zitten.
“Het is lekker warm hè, Erik?” roept Timar naar hem.
“Vreselijk,” antwoordt Erik. “Soms wilde ik dat ik helemaal wit was en niet wit-zwart.
Mijn zwarte veren voelen nu zo heet aan, Timar.
Waren mijn veren maar een jas zoals jij die hebt.
Dan kon ik die nu ook uitdoen.”
“Neem strakjes een lekkere duik in Zee,” roept Timar.
Hij zwaait naar Erik en wandelt verder.
“Duiken is het allerlekkerst als Zon aan het ondergaan is.
Ik doe eerst nog even een dutje met mijn vrienden.
Dag Timar!”

Timar loopt verder, want hij wil nog naar Berta Schildpad toe.
Timar heeft Berta Schildpad al heel lang niet meer gezien.
Met haar kun je altijd heel fijn praten.
Berta Schildpad had Timar ook aan land zien komen.
Dat was toen hij voor het eerst het Land van Doen zag.

Berta Schildpad tuurde met haar ogen over Zee.
Dat deed ze bijna elke dag.
Maar niet op dagen dat het feest was.
Dan vergat ze over Zee te kijken.
En feest was het vaak in het Land van Doen.
Er was altijd wel iemand die iets te vieren had.
En die nodigde natuurlijk iedereen uit.
Dat was wel zo gezellig.

Maar op de dag dat ze Timar voor het eerst zag was het geen feest.
Dus tuurde Berta Schildpad met haar ogen over Zee.
Plotseling zag ze een boot varen.
Het was een kleine boot en er zat iemand op.
“Grote mensen komen niet zo vaak naar het Land van Doen,” zei Berta Schildpad hardop.
Er was niemand die het hoorde.
“Meestal zijn het kinderen die komen. Zo te zien is dat ook een kind.”
De boot kwam snel dichterbij.
Het kind keek nu naar Berta Schildpad en zwaaide heel vrolijk.
Berta Schildpad moest erom lachen en zwaaide heel vrolijk terug.
“Ik ga een feestje geven!” riep ze.
Toen zong ze het een paar keer achter elkaar:
“Ik ga een feestje geven! Ik ga een feestje geven!”
Dat was de eerste keer voor Timar dat hij Berta Schildpad zag.
Ze waren meteen heel dikke vrienden van elkaar geworden.

Vandaag is er geen feest in het Land van Doen.
Berta Schildpad zit weer alleen op de rotsen aan Zee.
Dit vindt ze de lekkerste plek.
Lekker rustig een dutje doen of turen.
Uren turen.
En misschien ziet ze wel iets op Zee.
Misschien drijft er wel iets aan.
Of er zwemt iemand naar het strand toe.
Misschien wel een andere schildpad.
Berta Schildpad is de enige schildpad in het Land van Doen.
Er moet toch een andere schildpad zijn die er ook de weg naartoe vindt?
Maar wacht..!
Wat is dat donkergroene stipje daar ver op zee?

Ondertussen…
“Het strand maakt nog één bocht en dan ben ik bij de rotsen,” fluistert Timar.
Hij geniet van alle geluiden aan Zee.
Daar ziet hij in een zandkuil bij de rotsen het schild van Berta Schildpad.
“Berta! Bezoek! Ik ben het!” roept Timar van een afstand.
Een paar tellen later draait Berta Schildpad’s hoofd kijkt zijn kant op.
Ze kijkt wel, maar ze denkt nog aan de donkergroene stip op Zee.
Dan ziet ze hem pas echt.
Ze schudt haar hoofd en strekt haar armen en benen.
Dan staat Berta Schildpad op en zwaait naar Timar.
Timar zwaait terug.
Ze lachen allebei.

“Ik ben zo blij dat je naar me toe komt, Timar.
Ik wil je heel graag iets vertellen.”
“Is er iets gebeurd dan?” vraagt Timar.
Berta Schildpad knikt hard op en neer met haar hoofd.
Hierdoor botst ze met haar neus tegen haar schild.
Maar Berta Schildpad wil het zo graag aan Timar vertellen.
Ze merkt de pijn niet eens echt.
“Ik heb daarnet geloof ik een andere schildpad gezien,” zegt Berta Schildpad.
Timar schrikt –ofzoiets.
Er schokt eventjes iets in hem.
“Waar? Op Zee?”
“Ja, ik geloof dat ik een schild op zee heb gezien, Timar
En er zat een hoofd voor.
Ik weet het zeker, denk ik.
Dat kan toch een andere schildpad geweest zijn, Timar?”
“En of dat kan!” zegt Timar.
“In het Land van Doen woont maar één schildpad.
Dat ben ik,” zegt Berta Schildpad.
Klinkt ze daar een beetje droevig?
“Och, dommie!” zegt Timar dan zachtjes.
“Al wonen hier véértien schildpadden, niemand is zoals jij!
Ik ben zo blij voor je, lieve Berta.”
Berta wordt verlegen.
Ze trekt haar hoofd iets terug in haar schild.
Timar ziet het en kust Berta Schildpad op haar wang.
Dan gaat haar hoofd helemaal naar binnen.

Uit haar schild klinkt met een galm Berta Schildpad’s stem:
“Het is niet dat ik jullie niet lief vind, dat weet je toch?”
“Ach, Berta, dat weet je toch zelf?” antwoordt Timar.
“Jij en ik zijn al duizend jaar vrienden.
Dat gaat nooit voorbij.”
Timar en Berta Schildpad zijn dan allebei eventjes stil.
Misschien denken ze terug aan al die duizend jaren.
Of misschien een klein stukje daarvan.
Een stukje waar ze samen heel erg vrolijk waren.
Of verdrietig.
Want samen verdrietig zijn kan ook fijn zijn.

Dan vraagt Timar: “Zal ik met jou samen kijken over Zee?”
Berta Schildpad steekt haar hoofd weer naar buiten.
“Vind je dat een leuk idee?” vraagt Berta Schildpad.
Ze weet even niet zeker of Timar dat echt wil.
“Ik hou van Zee. Ik kijk graag naar hem.”
Berta Schildpad knikt.
Dit keer iets voorzichtiger.
Haar neus deed toch nog een beetje zeer.
Berta Schildpad en Timar zeggen allebei even niets.
Dan fluistert Timar: “En misschien zien we nog wel iemand op Zee.”
Samen staren ze lang naar Zee.
Zon is al een beetje aan het zakken.

“Misschien neemt Erik Ekster nu een duik.” denkt Timar.
Hij weet niet eens dat hij het hardop zegt.
Berta Schildpad kijkt naar heel ver weg.
Ze heeft een grote glimlach om haar mond.


pepé: lettermenger.

vrijdag 2 maart 2012

Lettermenger in Wonderland.

Dit is geen kinderverhaaltje.
En toch is het dat toch.
Het is heel erg waar.
Maar het is toch niet waar?
Als je nog durft,
lees het dan maar.
Maar je bent gewaarschuwd!


Stel je toch voor, er was eens een jongen, ze noemden hem Lettermenger.
Hij studeerde van taal en van toneel, maar kwam na dit alles bij een bank te werken.
Waarom rijmt er nu plots het woord "vlerken"?

Goed, hij hield het daar acht jaren vol, maar steeds meer voor minder, steeds krommer zaken rechter pratend, nam Lettermenger afscheid en vond een andere baas. Hopelijk een lievere.

Hij ging de zorg in. Voortaan haalden zijn collega's en hij elke middag kinderen van school af met soms een verstandelijke en vaak een opvoedings-achterstand.
In het weekend fietste Lettermenger in zijn eentje vijftien kilometers ver naar een vakantiehuisje, waar hij een heel weekend met vier kinderen er het lolligst en vermakelijkst mogelijk van maakte -met een budget van luttele knaken.

Lettermenger schrok!
Hij zag dat de persoonlijke papieren van zijn kids werden opgeslagen in plastic Curverkratten, die werden neergezet in een garage op het vakantiepark, waar iedereen eigenlijk vrij eenvoudig binnenkomen kunnen zou.
Hij vroeg zijn baas of dat wel kon, wilde eigenlijk zeggen dat dit niet kon.
Zijn baas beloofde een kluis.
Die kwam toen Lettermenger al lang ziek van alles was.
Dat vertel ik je nu dan maar vast.

Maar Lettermenger schrok van nog een heleboel meer!
Hij vroeg zich af of het eigenlijk wel veilig was dat hij in zijn eentje met vier kinderen in één vakantiehuisje zat.
"Ja," antwoordde zijn baas, "er is nog een ander vakantiehuisje waar een collega van jou zit met nog vier kinderen."
"Maar die zijn er niet altijd, want er zijn niet altijd kinderen die bij ons hun weekend komen vieren. Wat dan?"
"Dan heb je de noodtelefoon nog. Die mag jij dan bellen."
Dat had Lettermenger een keer gedaan.
Hij kreeg toen de baas van de baas aan de telefoon!
En het was weekend, dus die had misschien niet zo'n zin in telefoon.

Ik zal het je vertellen wat er dat weekend gebeurde.
Lettermenger zou drie kinderen in het huisje op bezoek krijgen, zo had zijn baas verteld.
Toen ze alledrie in huis waren, wilde hij gaan vragen wat ze dit weekend allemaal wilden gaan doen.
Maar de bel ging!
Er stond nog een meisje voor de deur!
Lettermenger had helemaal niet te horen gekregen dat zij dit weekend komen zou.
Er waren ook helemaal geen papieren van dit meisje aan hem gegeven.
Dus hij wist niet waar ze woonde en wie hij dus moest bellen als er iets aan de hand was.

Dan zul je zien dat juist dan dat toch gebeurt.
Het meisje kreeg heimwee. Dat betekent dat je terug naar huis toe wil. Dat ken je misschien wel.
Maar Lettermenger kon haar niet terug naar huis toe brengen.
"De noodtelefoon!" dacht hij toen.
Hij belde de noodtelefoon en kreeg de baas van de baas eraan.
Weet je wat die hem zei?
"Dan laat je de kinderen toch alleen als jij klaar bent met werken. Ga maar naar huis."
Maarja, dat kon Lettermenger toch niet doen?

Hij had zijn baas ook om iets anders gevraagd of dat wel mocht, één verzorger met vier kinderen in één huisje.
Je weet zelf, er zijn ook grote mensen die niet met hun vingers van kinderen af kunnen blijven.
Die vieze spelletjes met kinderen willen doen.
Dan moet je toch wel een beetje ervoor zorgen dat dat niet kan. Toch?

Weet je wat zijn baas toen zei:
"Iedereen die bij ons werkt moet naar de gemeente. Daar moeten ze een papieren bewijs ophalen waarop staat dat ze nooit iets verkeerds hebben gedaan als werker in de zorg. Met een stempel erop!"
"Maar daarna is het toch ook slim om af en toe te controleren of het goed gaat? Niet alleen om vieze spelletjes, maar er kunnen ook andere dingen gebeuren."
"Wij vertrouwen onze medewerkers," zei zijn baas -en daarmee moest het uit zijn.

Weet je nog waarvoor die Lettermenger had geleerd? Oja! Taal en toneel. En ook over opvoeden hoor. Maar dat was alweer lang geleden dat hij daar iets mee had gedaan. Hij had acht jaar lang bij zo'n bank gewerkt, weet je wel?

Die eerste dag dat Lettermenger niet op kantoor maar bij de kinderopvang binnenkwam, dat was wel even wennen!
Geen computers en kantoortafels, maar speelgoed en klimrekken!
En weet je wat? Zijn collega vertelde hem in een half uur wat hij allemaal doen moest en waar alles lag. En dat was het. Zo moest hij het maar weten.

Zo gebeurden er nog een heleboel meer dingen.
Lettermenger werd er heel erg ziek van.
Nu werkt hij er niet meer.
Nu mengt hij alleen nog letters.
Daar wordt hij wel heel blij van.

Hij schrijft dit verhaal voor jou.
Als jij hem hebt gekend van toen, daar bij de opvang, doordeweeks of in het weekend,
dan doet hij jou de hartelijke groeten.
Het doet hem pijn dat hij is gegaan,
dat was zeker niet om jullie!

Hey, dame! Jij kunt dansen als de beste, omdat je straalt en omdat jij kunt zweven terwijl je danst!
En hey, hooligan! Ben een beetje een lieve hooligan enne - ook jij zit in mijn hart, hoor!
En hey, wonderboy! Ik hoop dat je nog een heleboel meer mensen ontmoet waarmee je een lijntje hebt dat geen woorden nodig heeft. Door jou ook heb ik anders leren

Lettermengern...

Het allerzachtste moment.

"Zullen we naar boven?" vroeg je oom op die inmiddels pijnlijk bekend geworden toon van hem. Hoe kon hij een broer zijn, van het zelfde vlees en bloed als van jouw vader? Je dader en je maker; één baarmoeder. Wat deed hem naar de jouwe wroeten en wie van jullie moest er het hardst voor boeten?

Je was jong en je ouders hadden je geleerd wat gezag was, dus volgde je gedwee zijn knarsende treden de trap op, keek naar je kleurige kousen bij het klimmen, niet, nee nooit meer omhoog naar zijn harige peesbenen.

"We gaan naar Slovenië," onthaalden je ouders jou, thuiskomend van school met je volgeschreven boekenrugzak. Je moeder zei het, haar stralende ogen prijkten boven haar leesbril uit, terwijl ze in haar favoriete stoel haar kennis van de menselijke psyche bijvijzelde en verrijkte. Ze klonk opgelucht om het vooruitzicht. Het was een week na weken van ijzigstil wikken en wegen, gecreëerd toen jij ze vertelde over wat hun kind nooit had willen leren, van haar oom.

We hebben er tot op heden nooit samen over gepraat. Ja, wel over jou. Maar niet over hoe oud wij waren, toen het allemaal begon, niet gedeeld hoe we het elk ervoeren, de spellen waar we nog niet klaar voor waren, we hadden daar nog niet eens haren, die kwamen pas de jaren daarna en zo lang ook sleepte dit allesverwarrende ons voort.

"Ons" was er pas echter in Koritno, waar in het hoogseizoen een tent en een vouwwagen aan een T-splitsing op een camping stonden en je vader en jij terug naar de tent liepen na een waterflessenduel met een bal, dat jij met gemak had gewonnen. Of "gemak"; eerder brute kracht. Je pa aanvaardde zijn nederlaag allerminst alszodanig en lachend flipflapten jullie over grint en gras, naar waar een pan midden op tafel, door vier borden omringd, geplaatst werd door jouw moeder, terwijl jouw broer al wat uit de stokbroodmand vrat.

"Vraag haar na het eten of ze met jullie wil badmintonnen," had ònze moeder tegen mijn broer en mij gezegd, terwijl wij ook gevieren vergelijkbaar aanzaten. Die partij kwam er. Die avond. Inmiddels een menigmaal opgehaald moment.

Nu een vraag in het algemeen: Zou dat ook die stille herkenning teweegbrengen, onderling, bij zo'n eerste ontmoeting dóór het gezicht van de ander heen soms die allerwreedste ogenblikken gespiegeld te zien? En vooral dat uit het miniemste al blijkt hoezeer een behoedzaam geduld in het samenzijn, en dan de liefde, wordt gewaardeerd?

"De liefde", wat heeft het voorgaande dáármee te maken? Behalve die eerste camping-match, het zwemmen in het meer van Bled, de nachtelijke wandelingen weg van de tenten en weer terug, ultiem vanwege het vanzelfzwijgende. Wrang dan de gedachte toen begerig te hebben willen kijken naar elkaars lichaam. -Nee! Jij was benieuwd naar mijn geest als ik naar de jouwe. Dat eerst. Voor alles. En het beviel. Dat was voldoende intens voor ons vijftienjarigen.

"En als je dit door blijft doen komt er wit spil uit."
Hij noemde het woord ervoor.
Maar bij mij kwam het nog niet.
Bij hem wel, bleek toen ik het daarna bij hem deed.
Met de combinatie van ons geheim èn het aangewakkerd verlangen dit ook mijn eigen lijf te zien kunnen, bracht hij me in een slaafse fascinatie, die grif uitgebuit werd door deze drijver van mij.
"Het allerlekkerst is het als je het met je mond doet," maande hij me vaak.
Zijn hand op mijn hoofd dirigeerde het gewenste tempo.
Terwijl hij het in me gutste, spoorde hij mij aan, hield mijn mond erbij in positie, schokkend vlees tussen mijn lippen, vocht dat smaakte naar niets dat ik kende -en hoe hardnekkig het bleef kleven aan 't gehemelte, het door te slikken.

Het allerzachtste moment gaf jij mij, de nacht van jouw zestiende verjaardagsfeest. Zes tieners in jouw slaapkamer die elkaar dat zelfde jaar in Slovenië troffen. Het licht was al uitgedaan voordat eenieder haar en zijn kleding voor slaapgoed verruilde. Melig gewauwel verstomde gestaag, maakte plaats voor het zachte gezang van de nacht, haast onhoorbaar en daarom zo zalvend voor dromen.

Alleen een hart vol van passie vangt die klanken, want haar snaren zijn met liefde gespannen en speelt niets anders liever dan die melodieën. Het zou me allerminst verbazen wanneer twee die elkaar bezingen, in elk geval de onze daar, het klinken óp- doch niet letterlijk -vingen.

Zo, vanonder jouw dekbed, jouw luchtbed naast het mijne, vanuit mijn slaapzak, hoe licht het leek in dat duister, dat moment dat huid huid raakte, twee handen, hoe behoedzaam onze vingers kringelden, dan jouw hand de mijne warm omsloot en hoe graag de mijne liefst tegelijk ééngelijk blijk wilde geven.
(Die zelfde hand die dit nu schrijft.)

"Nu" zijn voor ons opnieuw acht jaren verstreken. Bij een rode rozenstruik die ik onderweg naar huis in volle bloei zag staan, dacht ik als de natuur aan jou. Eerst schrok ik van de hartezang die dat teweegbracht. Want waar staat de tent, in welk land ballen jullie waterflessen tot vallen met nu jouw eigen gezin? Dat was het pad dat voorafging aan dit schrijven.

Weet jij welke melodieën jouw hart zingt in de nacht? En klinken jouw dagen eender? Weet jij dan wanneer onze handen zijn losgeraakt? Of is dat ogenschijnlijk? Misschien was ik het, liet ik jouw hand los uit een verwrongen verlangen te voorkomen te beklemmen, een voorgevoel daarvan al was teveel.

Een enkel lied zul je nooit vergeten, eens gehoord, eens erdoor gegrepen, al zou je willen, dus rest je niets dan het een gerieflijk plekje te geven, ergens waar, tussen ons gehele repertoire, het nog, af en toe spontaan, of bij het doorneuzen der mappen, klinkt, twinkelt overheen het stille indigo.


pepé: lettermenger.