vrijdag 2 maart 2012

Het allerzachtste moment.

"Zullen we naar boven?" vroeg je oom op die inmiddels pijnlijk bekend geworden toon van hem. Hoe kon hij een broer zijn, van het zelfde vlees en bloed als van jouw vader? Je dader en je maker; één baarmoeder. Wat deed hem naar de jouwe wroeten en wie van jullie moest er het hardst voor boeten?

Je was jong en je ouders hadden je geleerd wat gezag was, dus volgde je gedwee zijn knarsende treden de trap op, keek naar je kleurige kousen bij het klimmen, niet, nee nooit meer omhoog naar zijn harige peesbenen.

"We gaan naar Slovenië," onthaalden je ouders jou, thuiskomend van school met je volgeschreven boekenrugzak. Je moeder zei het, haar stralende ogen prijkten boven haar leesbril uit, terwijl ze in haar favoriete stoel haar kennis van de menselijke psyche bijvijzelde en verrijkte. Ze klonk opgelucht om het vooruitzicht. Het was een week na weken van ijzigstil wikken en wegen, gecreëerd toen jij ze vertelde over wat hun kind nooit had willen leren, van haar oom.

We hebben er tot op heden nooit samen over gepraat. Ja, wel over jou. Maar niet over hoe oud wij waren, toen het allemaal begon, niet gedeeld hoe we het elk ervoeren, de spellen waar we nog niet klaar voor waren, we hadden daar nog niet eens haren, die kwamen pas de jaren daarna en zo lang ook sleepte dit allesverwarrende ons voort.

"Ons" was er pas echter in Koritno, waar in het hoogseizoen een tent en een vouwwagen aan een T-splitsing op een camping stonden en je vader en jij terug naar de tent liepen na een waterflessenduel met een bal, dat jij met gemak had gewonnen. Of "gemak"; eerder brute kracht. Je pa aanvaardde zijn nederlaag allerminst alszodanig en lachend flipflapten jullie over grint en gras, naar waar een pan midden op tafel, door vier borden omringd, geplaatst werd door jouw moeder, terwijl jouw broer al wat uit de stokbroodmand vrat.

"Vraag haar na het eten of ze met jullie wil badmintonnen," had ònze moeder tegen mijn broer en mij gezegd, terwijl wij ook gevieren vergelijkbaar aanzaten. Die partij kwam er. Die avond. Inmiddels een menigmaal opgehaald moment.

Nu een vraag in het algemeen: Zou dat ook die stille herkenning teweegbrengen, onderling, bij zo'n eerste ontmoeting dóór het gezicht van de ander heen soms die allerwreedste ogenblikken gespiegeld te zien? En vooral dat uit het miniemste al blijkt hoezeer een behoedzaam geduld in het samenzijn, en dan de liefde, wordt gewaardeerd?

"De liefde", wat heeft het voorgaande dáármee te maken? Behalve die eerste camping-match, het zwemmen in het meer van Bled, de nachtelijke wandelingen weg van de tenten en weer terug, ultiem vanwege het vanzelfzwijgende. Wrang dan de gedachte toen begerig te hebben willen kijken naar elkaars lichaam. -Nee! Jij was benieuwd naar mijn geest als ik naar de jouwe. Dat eerst. Voor alles. En het beviel. Dat was voldoende intens voor ons vijftienjarigen.

"En als je dit door blijft doen komt er wit spil uit."
Hij noemde het woord ervoor.
Maar bij mij kwam het nog niet.
Bij hem wel, bleek toen ik het daarna bij hem deed.
Met de combinatie van ons geheim èn het aangewakkerd verlangen dit ook mijn eigen lijf te zien kunnen, bracht hij me in een slaafse fascinatie, die grif uitgebuit werd door deze drijver van mij.
"Het allerlekkerst is het als je het met je mond doet," maande hij me vaak.
Zijn hand op mijn hoofd dirigeerde het gewenste tempo.
Terwijl hij het in me gutste, spoorde hij mij aan, hield mijn mond erbij in positie, schokkend vlees tussen mijn lippen, vocht dat smaakte naar niets dat ik kende -en hoe hardnekkig het bleef kleven aan 't gehemelte, het door te slikken.

Het allerzachtste moment gaf jij mij, de nacht van jouw zestiende verjaardagsfeest. Zes tieners in jouw slaapkamer die elkaar dat zelfde jaar in Slovenië troffen. Het licht was al uitgedaan voordat eenieder haar en zijn kleding voor slaapgoed verruilde. Melig gewauwel verstomde gestaag, maakte plaats voor het zachte gezang van de nacht, haast onhoorbaar en daarom zo zalvend voor dromen.

Alleen een hart vol van passie vangt die klanken, want haar snaren zijn met liefde gespannen en speelt niets anders liever dan die melodieën. Het zou me allerminst verbazen wanneer twee die elkaar bezingen, in elk geval de onze daar, het klinken óp- doch niet letterlijk -vingen.

Zo, vanonder jouw dekbed, jouw luchtbed naast het mijne, vanuit mijn slaapzak, hoe licht het leek in dat duister, dat moment dat huid huid raakte, twee handen, hoe behoedzaam onze vingers kringelden, dan jouw hand de mijne warm omsloot en hoe graag de mijne liefst tegelijk ééngelijk blijk wilde geven.
(Die zelfde hand die dit nu schrijft.)

"Nu" zijn voor ons opnieuw acht jaren verstreken. Bij een rode rozenstruik die ik onderweg naar huis in volle bloei zag staan, dacht ik als de natuur aan jou. Eerst schrok ik van de hartezang die dat teweegbracht. Want waar staat de tent, in welk land ballen jullie waterflessen tot vallen met nu jouw eigen gezin? Dat was het pad dat voorafging aan dit schrijven.

Weet jij welke melodieën jouw hart zingt in de nacht? En klinken jouw dagen eender? Weet jij dan wanneer onze handen zijn losgeraakt? Of is dat ogenschijnlijk? Misschien was ik het, liet ik jouw hand los uit een verwrongen verlangen te voorkomen te beklemmen, een voorgevoel daarvan al was teveel.

Een enkel lied zul je nooit vergeten, eens gehoord, eens erdoor gegrepen, al zou je willen, dus rest je niets dan het een gerieflijk plekje te geven, ergens waar, tussen ons gehele repertoire, het nog, af en toe spontaan, of bij het doorneuzen der mappen, klinkt, twinkelt overheen het stille indigo.


pepé: lettermenger.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten