Robin zit op een steen naast het rad waar ik in zit. Haar handschoenhanden pakken haar das juist voor beide wangen vast en trekken hem bedachtzaam wat hoger; wat warmer en wat mooier. Robin beeldt haar weten uit. Dat is ook precies wat mij van aanvang aan zo aan haar fascineert. Haar ogen turen over de hekken van de speeltuin heen, maar eigenlijk kijkt ze mij aan. In de breedte van haar blikveld ben ik dan misschien wel niet de focus van haar pupillen, wel van haar geest. Precies zo kijk ik naar het vloeipapier dat zich tussen mijn vingers om de inhoud rolt. Niet in één keer goed, uiteindelijk ook met een buikje in het midden, maar te roken, “en daar gaat het om,” zeg ik dan meestal.
“O, Loki durft weer naar buiten,” wolkt het uit Robin. “De eerste keer dat hij weg was, kwam hij sluipend en klaaglijk mauwend binnen. Hij heeft Freije en mij dagenlang gemeden, at zijn brokjes als wij het niet zagen. Tot hij op een avond weer met opgeheven staart tegen Freijes been aankopte. Vandaag was hij weer een paar uurtjes naar buiten. Ik denk dat hij met een andere kater ruzie heeft gehad, denk je niet?”
“Het ventje.”
Mijn woorden lijken op. Of misschien hebben ze zich allemaal op één plaats gepositioneerd. Als we daar komen zullen ze komen. Ja. dan zullen ze komen.
“Freije is lief voor me, Joost. Door haar voel ik me zo thuis in ons nieuwe huisje. Ze zorgt zo goed voor me, ze neemt cadeautjes voor me mee en maakt lekker eten voor ons klaar. Ik ben heel gelukkig met haar en wil echt proberen oud met haar te worden.”
“Jullie houden echt van elkaar, dat kun je zien. En dat is mooi. Freije is ook een lieve schat. Hoe zij in korte tijd veranderd is van een jonge meid naar een steeds volwassenere en zelfverzekerdere vrouw. Ik hou ook van haar.”
Ook van haar, Robin. Ook! Een geaborteerde wanhoopsschreeuw.
“Ja, Freije is lief,” besluit ik. Ik hoor dat ik het meen. Dan hoort Robin het ook. Dan is het goed.
“O, ik mis haar nu even heel erg, Joost. Maar het is anders met jou en mij alleen. Soms heb ik daar gewoon behoefte aan. Met jou heb ik van die heerlijke gesprekken. Ja, jij bent voor mij ook heel speciaal. Misschien wel even speciaal als Freije voor me is. Alleen dan anders.”
Op een specifieke plaats in mijn brein het begin van rumoer. Er komt beweging in de hoop. Maar Robin beeldt haar weten uit. Alsof natuurkrachten aan haar zijde staan breekt daar en dan de zon door. Robin’s hals ontkiemt bij de eerste tekenen ervan al uit haar wollen das en haar gezicht straalt de zon terug tegemoet. Beduusd murmelt mijn hoop zich weer in stilte.
“Het wordt gauw lente, denk je niet?”
“Ik heb er zin in.”
Te verlangend. Ik denk dat Robin ook wel hoorde dat mijn stem een donker randje had, maar ze zei alleen: “Ja, ik ook.”
In een lente met jou. Gegijzelde armen heb ik vrij-onderhandeld om jou. In al mijn bombast, zie je je naakte minnaar je dan niet in zorgzaam zwijgen naderen? Ik heb menig man mij zijn liefde laten geven en zou ik zeggen dat ik hen niet lief heb gehad, zou ik liegen. Toch heb ik ergens altijd geweten dat een dan nog onbekende vrouw deze knaap zou leren wat het is je aan elkaar te geven. Tot nog toe had ze jouw gezicht, jouw handschoenen en jouw das. Zeg je nu dat ik al die tijd toch een vriend was?
“Zullen we verder lopen?” vraagt Robin me.
Ik kijk naar mijn rechter hand. “Hij is nog niet op. Heel even nog.”
Rookwolkjes boven mijn hoofd. Vraagtekens en gedachten-tekstballonnen. Tot weer enkele van mijn woorden een weg naar buiten vonden.
“Als kind was ik een brokkenpiloot. Ik was niet heel zuinig op mezelf. Hoe vaak ik niet bij de dokter ben geweest om mijn hoofd weer dicht te laten hechten na een valpartij uit een of andere boom of van een schuurtje in de buurt. En hoe er zeven mensen nodig waren om me ondertussen op de stoel stil te houden.”
Ik neem tussendoor de laatste hijs. Robin’s angèsque-open ogen drinken mijn daarzijn.
“Iedere keer was het avontuur verleidelijker dan dat het verstand het eigenlijk goed vond.”
“Dat je toen zo’n klimmer was. Nu moet je niets meer van bewegen hebben.”
Ze lacht er licht spottend bij.
Ik neem tussendoor de laatste hijs. Robin’s angèsque-open ogen drinken mijn daarzijn.
“Iedere keer was het avontuur verleidelijker dan dat het verstand het eigenlijk goed vond.”
“Dat je toen zo’n klimmer was. Nu moet je niets meer van bewegen hebben.”
Ze lacht er licht spottend bij.
Zie me, Robin. Zie me nu. Ik beweeg. Ik beweeg me onzichtbaar voor jouw ogen nader. Laten we dansen en ja, laten we zo dansen dat we uren, dagen kunnen dansen. We hebben geen haast.
Maar ik roep: “O nee?”
Als ik opspring van het houten rad maak ik het daarbij zachtjes aan het draaien: Om mani padme hung, en vorm dan -of is het dat avontuurlijke jochie? Vorm dan samen met Robin een schaterende gebedsmolen over het grind van de verder vrijwel verlaten speeltuin. Zij eindigt buigend met een lachzucht en vervolgt ons, haar weg eenvoudigwegwandelend. Ik sluit me nalachend bij haar aan.
Maar ik roep: “O nee?”
Als ik opspring van het houten rad maak ik het daarbij zachtjes aan het draaien: Om mani padme hung, en vorm dan -of is het dat avontuurlijke jochie? Vorm dan samen met Robin een schaterende gebedsmolen over het grind van de verder vrijwel verlaten speeltuin. Zij eindigt buigend met een lachzucht en vervolgt ons, haar weg eenvoudigwegwandelend. Ik sluit me nalachend bij haar aan.
“Hoe zullen we gaan?” vraag ik.
“We gaan naar de auto.”
“Da’s goed.”
Het schrapen van de kiezels onder onze schoenen scheurt de ruimte tussen Robin en mij bij elke stap een beetje meer uiteen. Misschien dat het nog te redden is, want ook nu kan ik haar vastpakken, aankijken en zoenen op haar mond. De keren dat we elkaar aankeken in ongeacht welke kamer en we op de brug van onze blikken ergens halverwege ervan opstegen, we ondertussen zittend zwegen met een glimlach vanaf onze bank tot Freije binnenkwam met drank en dan zei: “Zitten jullie weer met elkaar te kletsen?”
De autorit terug (ik heb geen rijbewijs) scheurt de tussenruimte verder in. Vanaf ons spreekgestoelte babbelen we over de weg over ons werk en mensen die we kennen, tot we Robin’s stalen aardbei parkeren naast het spoor.
“Sluit ‘ie vanzelf?” vraag ik haar een beetje ongemakkelijk.
“Ja.” Robin lacht nog altijd.
Ik stap uit, stap eruit en merk wat passen later dat ik haar woning niet inga: Voor de deurpost draai ik me om en wuif haar vaarwel met tranen. Ondertussen lopen Robin en ik één voor één over de drempel. Zij eerst. Robin houdt de deur met haar zo open gelaat open en sluit hem achter mij. Buiten loop ik ik weet niet waar naar toe.
Het vlees waar ik nu slechts uit besta kijkt naar de materialen die in de kamer staan. De brandweerrode bank, zandkleurige inkt in verschillende tonen die voor de zwarte achtergrond van de zeefdruk het hoofd van een mediterende boeddha vormt. In een hoek onder een raam patronen van over de hele wereld geborduurd op slopen van een hoop van kussens op de eiken plankenvloer. En al die ruimte tussen stoelen, tafels, alle spullen, al die ruimte eromheen en erboven. Zesendertig vierkante meters en zoveel leegte. Zoveel leegte had ik nog nooit op zo’n oppervlakte gezien. Maarja, hoe kan ik als ik juist mijn ziel verloren ben ook voelen waar de lucht allemaal mee bevrucht is? Ben ik die leegte of zie ik hem? Wat er van mij over is legt zich neer op de hoop in de hoek. Het voelt alsof het die hiermee completeert.
Zit op mij. Ga liggen op mij. En vrij met haar op mij.
Loki groet Robin en snuffelt daarna meewarig aan de gegroeide berg van kussens. Prikkende snorharen spatten het eenheidsgevoel met mijn plek uiteen. Ik bespeur het gat in mij en hoor buiten een ongeschreeuwde noodkreet om een hoek verdwijnen. Ik heb spijt mezelf zo achteloos weg te hebben laten gaan. Ik voel me bezorgd en gehaast -en krijg thee voorgeschoteld.
“O, Joost, ik heb Boeddha van Deepak Chopra echt verslonden,” wijst Robin op de boekenkast. “Ik vind het zo jammer dat ik hem uitheb, ik denk dat ik hem binnenkort nog een keer ga lezen.”
“Ja, die is zeker geweldig. Ik heb erbij moeten lachen en huilen en voelde zo vaak een soort van herkenning in het verhaal. Heel vreemd.”
“Maar jij bent ook een kleine boeddha,” blaast Robin me over haar kopje toe. Het geeft me een pijnscheut en mijn ogen kietelen een beetje.
“Jij ook,” dampt het omhoog van de kussenhoop.
Jij ook. Was het grijs dus hiermee beschilderd? Robin en ik, ook twee boeddhas op dat witberijpte pad richting verlichting. We gaan dus toch niet samen. Ik denk dat ik ben gaan geloven dat je wil. En je wil. Maar niet nu. En niet samen. Niet samen met mij. Of niet per sé niet, ook weer wel, maar niet nu. Nee. Niet nu.
“Joost?”
“Ja?”
“Ik heb toch ooit gezegd dat ik wel wilde onderzoeken of ik kon leven in een soort van relatie met Freije en jou allebei?”
Ik heb gevoeld dat je het kunt.
“Ja.”
Mat.
“Ik voel de laatste tijd steeds sterker dat ik een leven samen met Freije op wil bouwen. Het is niet dat ik minder van jou ben gaan houden, maar het voelt op deze manier goed.”
Ik weet niet wat ik nu allemaal zeg. Ik zeg eigenlijk enkel: “Au…” Ik zegen je, beween je en omarm je. Mijn stembanden lijken tussen het draaimechanisme van een houten looprad te hebben gezeten. Au op au heb ik gesproken. Mijn ziel moet het hebben gehoord.
Bonkend voordeurhout en geschuifel op steen achter de deur in deze kamer.
“Freije,” zegt Robin. Het klinkt alsof ze zich betrapt voelt.
Ik doe open en kijk me aan.
Ik zeg: “Kom, we gaan.”
Ik kijk Robin aan.
“We gaan dus toch niet samen?”
pepé: lettermenger.
“We gaan naar de auto.”
“Da’s goed.”
Het schrapen van de kiezels onder onze schoenen scheurt de ruimte tussen Robin en mij bij elke stap een beetje meer uiteen. Misschien dat het nog te redden is, want ook nu kan ik haar vastpakken, aankijken en zoenen op haar mond. De keren dat we elkaar aankeken in ongeacht welke kamer en we op de brug van onze blikken ergens halverwege ervan opstegen, we ondertussen zittend zwegen met een glimlach vanaf onze bank tot Freije binnenkwam met drank en dan zei: “Zitten jullie weer met elkaar te kletsen?”
De autorit terug (ik heb geen rijbewijs) scheurt de tussenruimte verder in. Vanaf ons spreekgestoelte babbelen we over de weg over ons werk en mensen die we kennen, tot we Robin’s stalen aardbei parkeren naast het spoor.
“Sluit ‘ie vanzelf?” vraag ik haar een beetje ongemakkelijk.
“Ja.” Robin lacht nog altijd.
Ik stap uit, stap eruit en merk wat passen later dat ik haar woning niet inga: Voor de deurpost draai ik me om en wuif haar vaarwel met tranen. Ondertussen lopen Robin en ik één voor één over de drempel. Zij eerst. Robin houdt de deur met haar zo open gelaat open en sluit hem achter mij. Buiten loop ik ik weet niet waar naar toe.
Het vlees waar ik nu slechts uit besta kijkt naar de materialen die in de kamer staan. De brandweerrode bank, zandkleurige inkt in verschillende tonen die voor de zwarte achtergrond van de zeefdruk het hoofd van een mediterende boeddha vormt. In een hoek onder een raam patronen van over de hele wereld geborduurd op slopen van een hoop van kussens op de eiken plankenvloer. En al die ruimte tussen stoelen, tafels, alle spullen, al die ruimte eromheen en erboven. Zesendertig vierkante meters en zoveel leegte. Zoveel leegte had ik nog nooit op zo’n oppervlakte gezien. Maarja, hoe kan ik als ik juist mijn ziel verloren ben ook voelen waar de lucht allemaal mee bevrucht is? Ben ik die leegte of zie ik hem? Wat er van mij over is legt zich neer op de hoop in de hoek. Het voelt alsof het die hiermee completeert.
Zit op mij. Ga liggen op mij. En vrij met haar op mij.
Loki groet Robin en snuffelt daarna meewarig aan de gegroeide berg van kussens. Prikkende snorharen spatten het eenheidsgevoel met mijn plek uiteen. Ik bespeur het gat in mij en hoor buiten een ongeschreeuwde noodkreet om een hoek verdwijnen. Ik heb spijt mezelf zo achteloos weg te hebben laten gaan. Ik voel me bezorgd en gehaast -en krijg thee voorgeschoteld.
“O, Joost, ik heb Boeddha van Deepak Chopra echt verslonden,” wijst Robin op de boekenkast. “Ik vind het zo jammer dat ik hem uitheb, ik denk dat ik hem binnenkort nog een keer ga lezen.”
“Ja, die is zeker geweldig. Ik heb erbij moeten lachen en huilen en voelde zo vaak een soort van herkenning in het verhaal. Heel vreemd.”
“Maar jij bent ook een kleine boeddha,” blaast Robin me over haar kopje toe. Het geeft me een pijnscheut en mijn ogen kietelen een beetje.
“Jij ook,” dampt het omhoog van de kussenhoop.
Jij ook. Was het grijs dus hiermee beschilderd? Robin en ik, ook twee boeddhas op dat witberijpte pad richting verlichting. We gaan dus toch niet samen. Ik denk dat ik ben gaan geloven dat je wil. En je wil. Maar niet nu. En niet samen. Niet samen met mij. Of niet per sé niet, ook weer wel, maar niet nu. Nee. Niet nu.
“Joost?”
“Ja?”
“Ik heb toch ooit gezegd dat ik wel wilde onderzoeken of ik kon leven in een soort van relatie met Freije en jou allebei?”
Ik heb gevoeld dat je het kunt.
“Ja.”
Mat.
“Ik voel de laatste tijd steeds sterker dat ik een leven samen met Freije op wil bouwen. Het is niet dat ik minder van jou ben gaan houden, maar het voelt op deze manier goed.”
Ik weet niet wat ik nu allemaal zeg. Ik zeg eigenlijk enkel: “Au…” Ik zegen je, beween je en omarm je. Mijn stembanden lijken tussen het draaimechanisme van een houten looprad te hebben gezeten. Au op au heb ik gesproken. Mijn ziel moet het hebben gehoord.
Bonkend voordeurhout en geschuifel op steen achter de deur in deze kamer.
“Freije,” zegt Robin. Het klinkt alsof ze zich betrapt voelt.
Ik doe open en kijk me aan.
Ik zeg: “Kom, we gaan.”
Ik kijk Robin aan.
“We gaan dus toch niet samen?”
pepé: lettermenger.
OOOOOOOOOOOOO
BeantwoordenVerwijderenruud