En dat Land van Doen ligt veel dichterbij dan jij denkt.
Kinderen komen er vaker dan grote mensen.
Kinderen kunnen namelijk gemakkelijker de weg naar het Land van Doen vinden.
Tenminste, dat zeggen ze.
Op een ochtend loopt Timar langs het strand.
Timar lijkt als enige op een mens in heel het Land van Doen.
Niemand weet precies waar hij vandaan komt.
Er wordt gezegd dat zijn vader en moeder heel ver weg wonen.
Ooit, op één van zijn avonturen kwam Timar toevallig in het Land van Doen.
Toen is hij nooit meer weg gegaan.
Zo leuk vindt hij het hier met iedereen.
Bij het strand schuilen de vogels in de schaduw.
De schaduw van de bladeren aan de bomen.
Daar ziet Timar Erik Ekster in een palmboom zitten.
“Het is lekker warm hè, Erik?” roept Timar naar hem.
“Vreselijk,” antwoordt Erik. “Soms wilde ik dat ik helemaal wit was en niet wit-zwart.
Mijn zwarte veren voelen nu zo heet aan, Timar.
Waren mijn veren maar een jas zoals jij die hebt.
Dan kon ik die nu ook uitdoen.”
“Neem strakjes een lekkere duik in Zee,” roept Timar.
Hij zwaait naar Erik en wandelt verder.
“Duiken is het allerlekkerst als Zon aan het ondergaan is.
Ik doe eerst nog even een dutje met mijn vrienden.
Dag Timar!”
Timar loopt verder, want hij wil nog naar Berta Schildpad toe.
Timar heeft Berta Schildpad al heel lang niet meer gezien.
Met haar kun je altijd heel fijn praten.
Berta Schildpad had Timar ook aan land zien komen.
Dat was toen hij voor het eerst het Land van Doen zag.
Berta Schildpad tuurde met haar ogen over Zee.
Dat deed ze bijna elke dag.
Maar niet op dagen dat het feest was.
Dan vergat ze over Zee te kijken.
En feest was het vaak in het Land van Doen.
Er was altijd wel iemand die iets te vieren had.
En die nodigde natuurlijk iedereen uit.
Dat was wel zo gezellig.
Maar op de dag dat ze Timar voor het eerst zag was het geen feest.
Dus tuurde Berta Schildpad met haar ogen over Zee.
Plotseling zag ze een boot varen.
Het was een kleine boot en er zat iemand op.
“Grote mensen komen niet zo vaak naar het Land van Doen,” zei Berta Schildpad hardop.
Er was niemand die het hoorde.
“Meestal zijn het kinderen die komen. Zo te zien is dat ook een kind.”
De boot kwam snel dichterbij.
Het kind keek nu naar Berta Schildpad en zwaaide heel vrolijk.
Berta Schildpad moest erom lachen en zwaaide heel vrolijk terug.
“Ik ga een feestje geven!” riep ze.
Toen zong ze het een paar keer achter elkaar:
“Ik ga een feestje geven! Ik ga een feestje geven!”
Dat was de eerste keer voor Timar dat hij Berta Schildpad zag.
Ze waren meteen heel dikke vrienden van elkaar geworden.
Vandaag is er geen feest in het Land van Doen.
Berta Schildpad zit weer alleen op de rotsen aan Zee.
Dit vindt ze de lekkerste plek.
Lekker rustig een dutje doen of turen.
Uren turen.
En misschien ziet ze wel iets op Zee.
Misschien drijft er wel iets aan.
Of er zwemt iemand naar het strand toe.
Misschien wel een andere schildpad.
Berta Schildpad is de enige schildpad in het Land van Doen.
Er moet toch een andere schildpad zijn die er ook de weg naartoe vindt?
Maar wacht..!
Wat is dat donkergroene stipje daar ver op zee?
Ondertussen…
“Het strand maakt nog één bocht en dan ben ik bij de rotsen,” fluistert Timar.
Hij geniet van alle geluiden aan Zee.
Daar ziet hij in een zandkuil bij de rotsen het schild van Berta Schildpad.
“Berta! Bezoek! Ik ben het!” roept Timar van een afstand.
Een paar tellen later draait Berta Schildpad’s hoofd kijkt zijn kant op.
Ze kijkt wel, maar ze denkt nog aan de donkergroene stip op Zee.
Dan ziet ze hem pas echt.
Ze schudt haar hoofd en strekt haar armen en benen.
Dan staat Berta Schildpad op en zwaait naar Timar.
Timar zwaait terug.
Ze lachen allebei.
“Ik ben zo blij dat je naar me toe komt, Timar.
Ik wil je heel graag iets vertellen.”
“Is er iets gebeurd dan?” vraagt Timar.
Berta Schildpad knikt hard op en neer met haar hoofd.
Hierdoor botst ze met haar neus tegen haar schild.
Maar Berta Schildpad wil het zo graag aan Timar vertellen.
Ze merkt de pijn niet eens echt.
“Ik heb daarnet geloof ik een andere schildpad gezien,” zegt Berta Schildpad.
Timar schrikt –ofzoiets.
Er schokt eventjes iets in hem.
“Waar? Op Zee?”
“Ja, ik geloof dat ik een schild op zee heb gezien, Timar
En er zat een hoofd voor.
Ik weet het zeker, denk ik.
Dat kan toch een andere schildpad geweest zijn, Timar?”
“En of dat kan!” zegt Timar.
“In het Land van Doen woont maar één schildpad.
Dat ben ik,” zegt Berta Schildpad.
Klinkt ze daar een beetje droevig?
“Och, dommie!” zegt Timar dan zachtjes.
“Al wonen hier véértien schildpadden, niemand is zoals jij!
Ik ben zo blij voor je, lieve Berta.”
Berta wordt verlegen.
Ze trekt haar hoofd iets terug in haar schild.
Timar ziet het en kust Berta Schildpad op haar wang.
Dan gaat haar hoofd helemaal naar binnen.
Uit haar schild klinkt met een galm Berta Schildpad’s stem:
“Het is niet dat ik jullie niet lief vind, dat weet je toch?”
“Ach, Berta, dat weet je toch zelf?” antwoordt Timar.
“Jij en ik zijn al duizend jaar vrienden.
Dat gaat nooit voorbij.”
Timar en Berta Schildpad zijn dan allebei eventjes stil.
Misschien denken ze terug aan al die duizend jaren.
Of misschien een klein stukje daarvan.
Een stukje waar ze samen heel erg vrolijk waren.
Of verdrietig.
Want samen verdrietig zijn kan ook fijn zijn.
Dan vraagt Timar: “Zal ik met jou samen kijken over Zee?”
Berta Schildpad steekt haar hoofd weer naar buiten.
“Vind je dat een leuk idee?” vraagt Berta Schildpad.
Ze weet even niet zeker of Timar dat echt wil.
“Ik hou van Zee. Ik kijk graag naar hem.”
Berta Schildpad knikt.
Dit keer iets voorzichtiger.
Haar neus deed toch nog een beetje zeer.
Berta Schildpad en Timar zeggen allebei even niets.
Dan fluistert Timar: “En misschien zien we nog wel iemand op Zee.”
Samen staren ze lang naar Zee.
Zon is al een beetje aan het zakken.
“Misschien neemt Erik Ekster nu een duik.” denkt Timar.
Hij weet niet eens dat hij het hardop zegt.
Berta Schildpad kijkt naar heel ver weg.
Ze heeft een grote glimlach om haar mond.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten