Lichtland's koning looft geloftes aan verklikkers uit.
Dat houdt hem op zijn troon, dat weet iedereen.
En daar iedereen het vreest doet iedereen eraan mee.
Doet iemand niet mee, komt de vorst dat wel ter ore.
Nu hebben we iets ontdekt hier in ons Lichtland.
Ik schrijf nu "we" -dat is misschien precies
wat we ontdekt hebben, nog niet eens zo heel
lang geleden, maar ja, wat wil je met zo'n heerser?
Oh, als dit schrijven, wanneer, dan toch hopelijk
wel dát het komt in juiste handen, de juiste tijd!
Als licht kan duister even zeer verblinden.
Of wij nu licht of duister zijn, wij denken allebei.
Daarnaar streven wij
daarom zullen wij,
spoedig wellicht,
gaan strijden.
We hebben nog niet eens een vlag,
en als, dan is het onze lach.
Ons tandvlees ontbloot
op bijzondere momenten.
Te vaak is die lach gaan vervagen.
Op dat wij hem blijven dragen,
ook, juist op verblindende dagen
als deze.
Dat ik dit ooit, verweerd, terug
mag lezen.
pepé: lettermenger.
woensdag 13 juni 2012
Waar is Charlotte?
Achter vier zwarte lijnen tekenden zich haar irissen af.
Meestal had zij haar ogen neergeslagen.
Ook tijdens wanneer zij eens sprak.
Of ze staarde erbij naar een voor ons onzichtbare verte.
Haar paar juwelen hadden meestal wel kleur.
Vaak paars of indigo. Soms dennengroen.
"Ze heeft mijn verkruimelaar nog," zei jij nu, al starend.
Jij staarde nooit zoveel, was meestal onze plannenbron, maar die leek aardig drooggevallen.
Ik wist zelf niet goed hoe of wat.
Niet echt iemand te bellen.
"Ik zou d'r vader niet eens durven te spreken," raadde je mijn gedachten.
Hadden we vaak. Met Charly ook.
Ik pakte mijn wiet uit mijn blikje uit mijn tas. Jij keek.
"Nóg één?"
"En waarom niet?"
"Dat wordt onze derde van vanochtend."
"Alsof die invaller dat merkt. Hij kent onze namen na drie weken niet eens."
"Ik kan zo echt niet meer naar economie toe, Juul."
Je keek me er smekend bij aan.
En zag ik iets glimmen in je linker oog?
Ik vroeg je er niet naar.
We zagen ze van mekaar. Dat wisten we nu wel.
"Misschien staat ze voor de HappyHigh," zei ik, al wisten we allebei dat ze daar nooit in haar eentje zou gaan staan.
"Laten we kijken," probeerde jij gedreven te klinken.
"Eerst even deze af."
Jij zuchtte toen je mijn vorderingen had gecheckt.
Er lag al vloei, maar 't tipboekje moest ik nog pakken.
"Laat mij de tip doen."
"Gaat het niet snel genoeg?"
"Vind ik leuk, weet je toch. Heb ik ook wat te doen. Gaan we echt niet naar die eikel? Heeft ze jou ook verteld over Maus?"
"Maus?"
Ik legde de tabak in kegelvorm op de lange vloei en draaide daarna het wietzakje uit de muis van mijn hand tevoorschijn. Buiten bouwen was een kunst op zich.
"Die van Bianca?" bleef ik naar de joint in wording kijken.
"Ja."
"Nee."
"Juul."
"Britt."
"Juu-huul."
Ik keek op.
Je gaf me het tipje.
Zo mooi als jij, had ik ze niemand anders nog zien maken.
Jongens waren sowieso van rauw, rechttoe rechtaan.
Maus.
Hij zou...
Bianca was pas weken later weer op school.
En de oude was ze sinds die tijd nooit meer geweest.
Zij zat een klas hoger dan wij.
Ik rolde, likte, keek naar jouw zich om elkaar heen draaidende vingers voor je zwarte jurk en haalde mijn aansteker uit het blik.
Terwijl ik het wat dun uitgevallen jointje met perfecte tip aanstak, eraan hees, naar verderop keek, was het hooguit nog tien stappen:
"Charly."
Haar ogen controleerden het trottoir voor haar.
"Pass mij die joint, we moeten zo naar Dooiekont."
"Wil jij echt?" vroeg jij.
Je was tegen het muurtje aan gaan zitten.
"Hij heeft een taart voor Roy bij zich. Als het goed is."
Ik passte Charlotte de joint en blies de rook uit.
pepé: lettermenger.
Meestal had zij haar ogen neergeslagen.
Ook tijdens wanneer zij eens sprak.
Of ze staarde erbij naar een voor ons onzichtbare verte.
Haar paar juwelen hadden meestal wel kleur.
Vaak paars of indigo. Soms dennengroen.
"Ze heeft mijn verkruimelaar nog," zei jij nu, al starend.
Jij staarde nooit zoveel, was meestal onze plannenbron, maar die leek aardig drooggevallen.
Ik wist zelf niet goed hoe of wat.
Niet echt iemand te bellen.
"Ik zou d'r vader niet eens durven te spreken," raadde je mijn gedachten.
Hadden we vaak. Met Charly ook.
Ik pakte mijn wiet uit mijn blikje uit mijn tas. Jij keek.
"Nóg één?"
"En waarom niet?"
"Dat wordt onze derde van vanochtend."
"Alsof die invaller dat merkt. Hij kent onze namen na drie weken niet eens."
"Ik kan zo echt niet meer naar economie toe, Juul."
Je keek me er smekend bij aan.
En zag ik iets glimmen in je linker oog?
Ik vroeg je er niet naar.
We zagen ze van mekaar. Dat wisten we nu wel.
"Misschien staat ze voor de HappyHigh," zei ik, al wisten we allebei dat ze daar nooit in haar eentje zou gaan staan.
"Laten we kijken," probeerde jij gedreven te klinken.
"Eerst even deze af."
Jij zuchtte toen je mijn vorderingen had gecheckt.
Er lag al vloei, maar 't tipboekje moest ik nog pakken.
"Laat mij de tip doen."
"Gaat het niet snel genoeg?"
"Vind ik leuk, weet je toch. Heb ik ook wat te doen. Gaan we echt niet naar die eikel? Heeft ze jou ook verteld over Maus?"
"Maus?"
Ik legde de tabak in kegelvorm op de lange vloei en draaide daarna het wietzakje uit de muis van mijn hand tevoorschijn. Buiten bouwen was een kunst op zich.
"Die van Bianca?" bleef ik naar de joint in wording kijken.
"Ja."
"Nee."
"Juul."
"Britt."
"Juu-huul."
Ik keek op.
Je gaf me het tipje.
Zo mooi als jij, had ik ze niemand anders nog zien maken.
Jongens waren sowieso van rauw, rechttoe rechtaan.
Maus.
Hij zou...
Bianca was pas weken later weer op school.
En de oude was ze sinds die tijd nooit meer geweest.
Zij zat een klas hoger dan wij.
Ik rolde, likte, keek naar jouw zich om elkaar heen draaidende vingers voor je zwarte jurk en haalde mijn aansteker uit het blik.
Terwijl ik het wat dun uitgevallen jointje met perfecte tip aanstak, eraan hees, naar verderop keek, was het hooguit nog tien stappen:
"Charly."
Haar ogen controleerden het trottoir voor haar.
"Pass mij die joint, we moeten zo naar Dooiekont."
"Wil jij echt?" vroeg jij.
Je was tegen het muurtje aan gaan zitten.
"Hij heeft een taart voor Roy bij zich. Als het goed is."
Ik passte Charlotte de joint en blies de rook uit.
pepé: lettermenger.
Haar rivier.
Het water van de rivier stroomt aan haar ogen voorbij. Zo lang al zit zij aan zijn oever te kijken, dromen, smachten. Haar hoop, dat haar kostelijke rivier net zo veel van haar houdt als zij van hem. Dat zijn liefde zo sterk is, dat hij zijn bedding zal verleggen, enkel om haar. Dan zal hij haar meenemen, schoonwassen, haar alles laten zien wat er te zien is. Ze heeft er zo vaak over gefantaseerd.
Dag en nacht zit zij bij haar geliefde. Stoer en koelbloedig stroomt hij aan haar voorbij. En zij, zij zingt hem toe en grient: "Och, zie mij dan, mijn liefdesstroom, negeer mijn hierzijn niet. Aanhoor mijn liederen die ik zing voor jou en jou alleen."
Maar de rivier is kil en baant zijn uitgesleten zelfde weg, zijn eigen eeuwige levenslied zingend. Het houdt haar aandacht vast. Even twinkelt hij in haar ogen en direct vangt dat haar blik. Maar hij twinkelt niet om haar, nee, hij twinkelt. Hij zingt geen lied voor haar, nee, hij zingt. En toch wil zij niets meer dan bij hem zijn. Maar o! Hoe graag zag zij haar liefde toch beantwoord. Al zou hij maar een stukje, nog geen meter, zijn weg haar richting op verleggen...
Jaren stromen voorbij, honderd seizoenen. Haar liefde even sterk. De rivier volgt nog steeds de zelfde bedding. Zij heeft wel duizend liedjes aan zijn zij verzonnen, waarvan ze er sommigen bij regelmaat zingt. Er is er één waar ze de dag sinds jaar en dag mee sluit, vaak met tranen gepaard gaand:
Het water van de rivier stroomt haar ogen in. Dan opent zij haar mond en ook daar vindt de stroming zijn weg. Zij heeft zo lang al aan zijn oever zitten kijken, zitten dromen, zitten smachten. Haar hoop, dat haar kostelijke rivier net zo veel van haar zal houden als zij van hem. Dat zijn liefde zo sterk is, dat hij zijn bedding zal verleggen, enkel om haar. Dan zal hij haar meenemen, schoonwassen, haar alles laten zien wat er te zien is. Ze heeft er al zo vaak over gefantaseerd.
Nu is zij in hem en hij in haar. Zij laat zich door zijn stroom volledig vullen. Eerst haar mond, 't stroomt koel langs haar tanden, spoelt fris over haar tong, vindt vervolgens nieuwe banen in haar keelgat. Zij drinkt hem gulzig, als na te lange dorst. Haar maag en darmen, alles in haar vult zich met het water van haar grote rivier-lief. En vijfentwintig smachtend-droge jaren worden gelaafd naar volle hartelust. Van zijn kolkende vocht kan zij geen genoeg meer krijgen, zij drinkt en drinkt in opperst geluk en hij stroomt door en door.
Haar keelgat vol vult zijn water ook haar longen, verdrukt haar lucht en koelt er iedere cel. Zo gaat zij in haar grote lief ten onder, gelukkiger is zij toch nooit geweest. Want welke andere minnaar geeft zich zo gans, zonder remming aan diegene die om diens liefde vraagt? Niemand dan hij met de namen aller namen, die het zijn kent van de bron tot aan de zee. Nu draagt hij haar, na honderd seizoenen, in zijn armen eindelijk met zich mee.
Dag en nacht zit zij bij haar geliefde. Stoer en koelbloedig stroomt hij aan haar voorbij. En zij, zij zingt hem toe en grient: "Och, zie mij dan, mijn liefdesstroom, negeer mijn hierzijn niet. Aanhoor mijn liederen die ik zing voor jou en jou alleen."
Maar de rivier is kil en baant zijn uitgesleten zelfde weg, zijn eigen eeuwige levenslied zingend. Het houdt haar aandacht vast. Even twinkelt hij in haar ogen en direct vangt dat haar blik. Maar hij twinkelt niet om haar, nee, hij twinkelt. Hij zingt geen lied voor haar, nee, hij zingt. En toch wil zij niets meer dan bij hem zijn. Maar o! Hoe graag zag zij haar liefde toch beantwoord. Al zou hij maar een stukje, nog geen meter, zijn weg haar richting op verleggen...
Jaren stromen voorbij, honderd seizoenen. Haar liefde even sterk. De rivier volgt nog steeds de zelfde bedding. Zij heeft wel duizend liedjes aan zijn zij verzonnen, waarvan ze er sommigen bij regelmaat zingt. Er is er één waar ze de dag sinds jaar en dag mee sluit, vaak met tranen gepaard gaand:
Vanochtend was je zilver
en tjilpte met de mussen,
waste mijn ogen wakker
en wist mijn slaap te blussen.
Toen 't middag werd was je klaar,
ik kon je ziel aanschouwen
en zag dat ik ook je diepste
dieptes kon vertrouwen.
De namen aller namen
ken jij van bron tot zee.
Toe, neem mij in jouw armen,
neem mij toch met jou mee.
Bij 't schemer werd jij duister,
zo diep en mysterieus,
ik, aan jouw stroom gekluisterd,
ik heb en wil geen keus.
En 's avonds werd je rustig,
schonk kalmte ook aan mij,
je kibbelde zo zachtjes
je golfjesvlijerij.
De namen aller namen
ken jij van bron tot zee.
Toe, neem mij in jouw armen,
neem mij toch met je mee.
Nu is het nacht, mijn lieve,
maar jij bent nimmer moe.
Ik leg m'in jou te rusten,
jij stroomt mijn ogen toe.
Honderd seizoenen stroomt hij haar ogen toe en 's ochtends vindt zij vaak 't rivierzout in de hoeken van haar ogen. Op een morgen voelt zij dat de dag een andere is dan alle voorgaande. Hangt het in de lucht? Zingen de vogels een andere melodie? Tijd voor een wisseling van jaargetij is het niet. Is het haar grote liefde? Heeft hij zich eindelijk naar haar toe verschoven? Wordt haar geduld ten slotte dan beloond? Zal zij zijn frisheid voelen aan haar tenen?
Zij staat op en kijkt van horizon naar hier en nog verder, naar waar hij van haar weggaat, maar nee, hij stroomt zoals hij altijd al deed. Het moet iets anders zijn.
Dan voelt zij het. Inderdaad zijn het niet de vogels. 't Is ook niet de lucht, nee, zelfs niet haar rivier. Het is een verandering bij haar van binnen. Ze voelt het niet, ze hóórt het. Het is een stem. Hij roept: "Duik in mij, blijf niet op mij wachten. Ik was je haren, was je huid en ziel. Ik zal je geven wat je mag verwachten en meer dan dat, mijn lief waarvoor ik kniel."
Zij weet, het is zijn stem niet, maar de woorden zijn precies die, die zij altijd verlangt dat hij haar zegt als hij zou kunnen spreken. Dus staat zij op en loopt haar liefde in.
Nu is zij in hem en hij in haar. Zij laat zich door zijn stroom volledig vullen. Eerst haar mond, 't stroomt koel langs haar tanden, spoelt fris over haar tong, vindt vervolgens nieuwe banen in haar keelgat. Zij drinkt hem gulzig, als na te lange dorst. Haar maag en darmen, alles in haar vult zich met het water van haar grote rivier-lief. En vijfentwintig smachtend-droge jaren worden gelaafd naar volle hartelust. Van zijn kolkende vocht kan zij geen genoeg meer krijgen, zij drinkt en drinkt in opperst geluk en hij stroomt door en door.
Haar keelgat vol vult zijn water ook haar longen, verdrukt haar lucht en koelt er iedere cel. Zo gaat zij in haar grote lief ten onder, gelukkiger is zij toch nooit geweest. Want welke andere minnaar geeft zich zo gans, zonder remming aan diegene die om diens liefde vraagt? Niemand dan hij met de namen aller namen, die het zijn kent van de bron tot aan de zee. Nu draagt hij haar, na honderd seizoenen, in zijn armen eindelijk met zich mee.
pepé: lettermenger.
[2003]
Zes seconden uit het duivelse leven van Joachim.
"Niet doen!" hoorde hij iemand schreeuwen. Een nerveuze trilling in de stem. Mannelijk, schor. Een stem van iemand die teveel had meegemaakt. De stem van Stanley, een jongen die niets van zijn leven wist te maken en het daarom maar vulde zoals anderen deden. Anderen, zoals Micha: diepliggende zwarte ogen, zwarte stekels bomvol gel gesmeerd. De grootste stiekemerd. En anderen... vuilnis. Allemaal.
Zijn armen bewogen ongecontroleerd. Er was geen houvast in de omgeving, niets om beet te pakken, de val te remmen of te stoppen met een schok. Nee, niets. Zijn benen kon hij zien, los van de grond, zwevend, vallend, met zijn rug naar beneden. Flapperende kleren, een zuigende broek en alles zo zwaar. Hij voelde zich zo zwaar. Joachim.
"Je hebt het niet gezien," had Stanley hem gezegd en met die woorden ging zijn rechterhand razendsnel naar zijn rechterbroekzak. Niet te volgen, zo met het blote oog.
Ze stonden daar, op de zesde verdieping van de flat. De verdieping waar Joachim's vertrek ook op lag. En het was nacht. Het feest was gezellig geweest. Een beetje veel gedronken, maar alla: hij was toch met de fiets en het was niet ver rijden naar zijn flat.
Gewoon de lift genomen met zijn zware hoofd. Het knopje zes ingedrukt en daar de schok, de zoem en dat zieke gevoel in je maag door het plots stijgen van de lift. Deuren open. De zesde verdieping. Joachim liep naar zijn voordeur. En daar kwam Stanley uit het huis van Joahim's buren. Stak net een dikke portemonnee in zijn linker broekzak. Stanley deed eerst heel normaal.
"Ha Joachim! Makker," want ze kenden elkaar wel. Maar Joachim was niet zo'n makker van Stanley.
"Wat doe je hier?"
"Ach, m'n werk. Je hebt er veel op, zo te ruiken, of niet? Ga maar gauw rustig slapen, jochie."
"Sukkel!" galmde het door de suizende stilte. En het klonk steeds verder weg. Dat lag aan hem. Want de wind waaide langs zijn oren, aaide nog eens voor het laatst wat ruig zijn haren en nam afscheid van zijn kleren. Het wapperde steeds meer, zo leek het wel.
Hij hoorde voetstappen. Ze renden weg, die laffaards daarboven. Durfden niet hun schuld, hun fouten toe te geven. Maar hij kon het al niet meer zien, alleen nog maar horen.
De aarde trok aan hem. Twee minnaars.
"Kom bij me!" schreeuwde ze, "Kom bij me!", want haar verlangen om aan te raken was groter dan ooit. Het weerzien had te lang geduurd. Haar handen reikten naar hem en sleurden hem naar haar borst. Haar borst waar het leven het leven krijgt, maar waar het ook weer weggenomen wordt. Joachim was machteloos. Haar kracht was alles scheppend en alles verpletterend. En nu had zij hem gekozen. Zij had twee handlangers op hem afgestuurd die haar zouden helpen. En het was haar gelukt. Hij zou schreeuwend, kreunend in haar armen vallen.
"Wat stopte je daar zonet weg?"
Er werd niet lang nagedacht. Op alles was gerekend.
"Mijn portemonnee, jongen, hoezo? Heb jij daar iets mee te maken dan?"
"Maar je woont hier helemaal niet en de mensen die hier wonen, ken je ook niet.
"Wat doet dat? En trouwens, wie zegt dat? Ga jij nou maar pitten. Je bent gewoon stomdronken. Je ziet spoken."
Stanley greep Joachim bij zijn bovenarmen en keerde hem richting eigen woning. Maar Joachim stribbelde tegen.
"Nee! Ik begrijp het wel: je hebt gejat. Gejat!"
"Ga weg. Waarom zou ik?"
Joachim's hand ging naar de linkerbroekzak van Stanley. Hij griste de portemonnee eruit en maakte die meteen open.
"Jaja, jouw portemonnee. Heet je voortaan Miranda Hofman?"
En daar ging Stanley's razendsnelle hand.
Hij was op hoogte van de straatverlichting. Hij zag het schitteren. Zo mooi was het eerder nooit geweest. Dat felle licht tegen dat donkerbruin van de stadslucht. Die vage lichtstralen die telkens anders in zijn ogen vielen. Zijn handen, zijn schoenen en kleding: alles baadde in dit licht.Schoon, nog zuiver en schoon voor...
Hij zag niets onder zich; zijn ogen keken omhoog. Als zijn rug nu eens kon kijken. De straten waar hij zo vaak op gelopen, gefietst, gebromd had en met pech had stilgestaan. Want hij woonde hier al lang en had het naar zijn zin. Onder zijn rug de fijn egaal verharde parkeerplaats. 's Zomers rolschaatsten ze er altijd op. Lekker glad. Als hij toch nog kind was geweest. Maar nee.
Een koude angst was haast onmerkbaar in zijn hoofd geslopen. Die bevroor gedeeltelijk zijn gedachten. Maar hij verzette zich daartegen. Uit alle macht. En de straatverlichting maakte schaduwen op zijn lichaam. Hij werd steeds meer schaduw. En er was al niets meer te horen van Stanley en Micha.
"Weet wat je doet, Stan."
"Dat weet ik heel goed. Als jij dat nu ook eens wist."
Zijn ogen waren strak gericht op het gat in de revolver waar de kogel uit kon komen. En miljoenen vluchtpogingen uit boeken en films ratelden door Joachim's hoofd. Nu was het werkelijkheid. Dit was een boek. Maar welk?
"Nokken."
"Die portemonnee!" en ineens was zijn hand bij de revolver. Hij sloeg het ding uit Stanley's handen en nog voor die het besefte, had Joachim hem stevig in zijn armen vastgeklemd. Ja, zo ging het in dat boek.
"Laat me los!"
Maar het onmogelijke was waar: Joachim's armen waren op slot. Alsof ze daar altijd gezeten hadden. Hij wist niet meer los te laten. Het was ondoenbaar.
Dan een derde kracht. Eerst het tegenstribbelen van Stanley, waarop de wonderlijke houdgreep van Joachim en nu de nieuwe: een lompe sleur, een ruk en het slot was gebroken. Stanley was los en Joachim werd ruw omgedraaid. Diepliggende ogen zwart als de nacht keken hem aan. Zwarte stekels op zijn hoofd als messen. Micha.
"Jij weet teveel," zei hij en dat was alles.
pepé: lettermenger.
[1992]
Zijn armen bewogen ongecontroleerd. Er was geen houvast in de omgeving, niets om beet te pakken, de val te remmen of te stoppen met een schok. Nee, niets. Zijn benen kon hij zien, los van de grond, zwevend, vallend, met zijn rug naar beneden. Flapperende kleren, een zuigende broek en alles zo zwaar. Hij voelde zich zo zwaar. Joachim.
"Je hebt het niet gezien," had Stanley hem gezegd en met die woorden ging zijn rechterhand razendsnel naar zijn rechterbroekzak. Niet te volgen, zo met het blote oog.
Ze stonden daar, op de zesde verdieping van de flat. De verdieping waar Joachim's vertrek ook op lag. En het was nacht. Het feest was gezellig geweest. Een beetje veel gedronken, maar alla: hij was toch met de fiets en het was niet ver rijden naar zijn flat.
Gewoon de lift genomen met zijn zware hoofd. Het knopje zes ingedrukt en daar de schok, de zoem en dat zieke gevoel in je maag door het plots stijgen van de lift. Deuren open. De zesde verdieping. Joachim liep naar zijn voordeur. En daar kwam Stanley uit het huis van Joahim's buren. Stak net een dikke portemonnee in zijn linker broekzak. Stanley deed eerst heel normaal.
"Ha Joachim! Makker," want ze kenden elkaar wel. Maar Joachim was niet zo'n makker van Stanley.
"Wat doe je hier?"
"Ach, m'n werk. Je hebt er veel op, zo te ruiken, of niet? Ga maar gauw rustig slapen, jochie."
"Sukkel!" galmde het door de suizende stilte. En het klonk steeds verder weg. Dat lag aan hem. Want de wind waaide langs zijn oren, aaide nog eens voor het laatst wat ruig zijn haren en nam afscheid van zijn kleren. Het wapperde steeds meer, zo leek het wel.
Hij hoorde voetstappen. Ze renden weg, die laffaards daarboven. Durfden niet hun schuld, hun fouten toe te geven. Maar hij kon het al niet meer zien, alleen nog maar horen.
De aarde trok aan hem. Twee minnaars.
"Kom bij me!" schreeuwde ze, "Kom bij me!", want haar verlangen om aan te raken was groter dan ooit. Het weerzien had te lang geduurd. Haar handen reikten naar hem en sleurden hem naar haar borst. Haar borst waar het leven het leven krijgt, maar waar het ook weer weggenomen wordt. Joachim was machteloos. Haar kracht was alles scheppend en alles verpletterend. En nu had zij hem gekozen. Zij had twee handlangers op hem afgestuurd die haar zouden helpen. En het was haar gelukt. Hij zou schreeuwend, kreunend in haar armen vallen.
"Wat stopte je daar zonet weg?"
Er werd niet lang nagedacht. Op alles was gerekend.
"Mijn portemonnee, jongen, hoezo? Heb jij daar iets mee te maken dan?"
"Maar je woont hier helemaal niet en de mensen die hier wonen, ken je ook niet.
"Wat doet dat? En trouwens, wie zegt dat? Ga jij nou maar pitten. Je bent gewoon stomdronken. Je ziet spoken."
Stanley greep Joachim bij zijn bovenarmen en keerde hem richting eigen woning. Maar Joachim stribbelde tegen.
"Nee! Ik begrijp het wel: je hebt gejat. Gejat!"
"Ga weg. Waarom zou ik?"
Joachim's hand ging naar de linkerbroekzak van Stanley. Hij griste de portemonnee eruit en maakte die meteen open.
"Jaja, jouw portemonnee. Heet je voortaan Miranda Hofman?"
En daar ging Stanley's razendsnelle hand.
Hij was op hoogte van de straatverlichting. Hij zag het schitteren. Zo mooi was het eerder nooit geweest. Dat felle licht tegen dat donkerbruin van de stadslucht. Die vage lichtstralen die telkens anders in zijn ogen vielen. Zijn handen, zijn schoenen en kleding: alles baadde in dit licht.Schoon, nog zuiver en schoon voor...
Hij zag niets onder zich; zijn ogen keken omhoog. Als zijn rug nu eens kon kijken. De straten waar hij zo vaak op gelopen, gefietst, gebromd had en met pech had stilgestaan. Want hij woonde hier al lang en had het naar zijn zin. Onder zijn rug de fijn egaal verharde parkeerplaats. 's Zomers rolschaatsten ze er altijd op. Lekker glad. Als hij toch nog kind was geweest. Maar nee.
Een koude angst was haast onmerkbaar in zijn hoofd geslopen. Die bevroor gedeeltelijk zijn gedachten. Maar hij verzette zich daartegen. Uit alle macht. En de straatverlichting maakte schaduwen op zijn lichaam. Hij werd steeds meer schaduw. En er was al niets meer te horen van Stanley en Micha.
"Weet wat je doet, Stan."
"Dat weet ik heel goed. Als jij dat nu ook eens wist."
Zijn ogen waren strak gericht op het gat in de revolver waar de kogel uit kon komen. En miljoenen vluchtpogingen uit boeken en films ratelden door Joachim's hoofd. Nu was het werkelijkheid. Dit was een boek. Maar welk?
"Nokken."
"Die portemonnee!" en ineens was zijn hand bij de revolver. Hij sloeg het ding uit Stanley's handen en nog voor die het besefte, had Joachim hem stevig in zijn armen vastgeklemd. Ja, zo ging het in dat boek.
"Laat me los!"
Maar het onmogelijke was waar: Joachim's armen waren op slot. Alsof ze daar altijd gezeten hadden. Hij wist niet meer los te laten. Het was ondoenbaar.
Dan een derde kracht. Eerst het tegenstribbelen van Stanley, waarop de wonderlijke houdgreep van Joachim en nu de nieuwe: een lompe sleur, een ruk en het slot was gebroken. Stanley was los en Joachim werd ruw omgedraaid. Diepliggende ogen zwart als de nacht keken hem aan. Zwarte stekels op zijn hoofd als messen. Micha.
"Jij weet teveel," zei hij en dat was alles.
pepé: lettermenger.
[1992]
Abonneren op:
Reacties (Atom)