"Niet doen!" hoorde hij iemand schreeuwen. Een nerveuze trilling in de stem. Mannelijk, schor. Een stem van iemand die teveel had meegemaakt. De stem van Stanley, een jongen die niets van zijn leven wist te maken en het daarom maar vulde zoals anderen deden. Anderen, zoals Micha: diepliggende zwarte ogen, zwarte stekels bomvol gel gesmeerd. De grootste stiekemerd. En anderen... vuilnis. Allemaal.
Zijn armen bewogen ongecontroleerd. Er was geen houvast in de omgeving, niets om beet te pakken, de val te remmen of te stoppen met een schok. Nee, niets. Zijn benen kon hij zien, los van de grond, zwevend, vallend, met zijn rug naar beneden. Flapperende kleren, een zuigende broek en alles zo zwaar. Hij voelde zich zo zwaar. Joachim.
"Je hebt het niet gezien," had Stanley hem gezegd en met die woorden ging zijn rechterhand razendsnel naar zijn rechterbroekzak. Niet te volgen, zo met het blote oog.
Ze stonden daar, op de zesde verdieping van de flat. De verdieping waar Joachim's vertrek ook op lag. En het was nacht. Het feest was gezellig geweest. Een beetje veel gedronken, maar alla: hij was toch met de fiets en het was niet ver rijden naar zijn flat.
Gewoon de lift genomen met zijn zware hoofd. Het knopje zes ingedrukt en daar de schok, de zoem en dat zieke gevoel in je maag door het plots stijgen van de lift. Deuren open. De zesde verdieping. Joachim liep naar zijn voordeur. En daar kwam Stanley uit het huis van Joahim's buren. Stak net een dikke portemonnee in zijn linker broekzak. Stanley deed eerst heel normaal.
"Ha Joachim! Makker," want ze kenden elkaar wel. Maar Joachim was niet zo'n makker van Stanley.
"Wat doe je hier?"
"Ach, m'n werk. Je hebt er veel op, zo te ruiken, of niet? Ga maar gauw rustig slapen, jochie."
"Sukkel!" galmde het door de suizende stilte. En het klonk steeds verder weg. Dat lag aan hem. Want de wind waaide langs zijn oren, aaide nog eens voor het laatst wat ruig zijn haren en nam afscheid van zijn kleren. Het wapperde steeds meer, zo leek het wel.
Hij hoorde voetstappen. Ze renden weg, die laffaards daarboven. Durfden niet hun schuld, hun fouten toe te geven. Maar hij kon het al niet meer zien, alleen nog maar horen.
De aarde trok aan hem. Twee minnaars.
"Kom bij me!" schreeuwde ze, "Kom bij me!", want haar verlangen om aan te raken was groter dan ooit. Het weerzien had te lang geduurd. Haar handen reikten naar hem en sleurden hem naar haar borst. Haar borst waar het leven het leven krijgt, maar waar het ook weer weggenomen wordt. Joachim was machteloos. Haar kracht was alles scheppend en alles verpletterend. En nu had zij hem gekozen. Zij had twee handlangers op hem afgestuurd die haar zouden helpen. En het was haar gelukt. Hij zou schreeuwend, kreunend in haar armen vallen.
"Wat stopte je daar zonet weg?"
Er werd niet lang nagedacht. Op alles was gerekend.
"Mijn portemonnee, jongen, hoezo? Heb jij daar iets mee te maken dan?"
"Maar je woont hier helemaal niet en de mensen die hier wonen, ken je ook niet.
"Wat doet dat? En trouwens, wie zegt dat? Ga jij nou maar pitten. Je bent gewoon stomdronken. Je ziet spoken."
Stanley greep Joachim bij zijn bovenarmen en keerde hem richting eigen woning. Maar Joachim stribbelde tegen.
"Nee! Ik begrijp het wel: je hebt gejat. Gejat!"
"Ga weg. Waarom zou ik?"
Joachim's hand ging naar de linkerbroekzak van Stanley. Hij griste de portemonnee eruit en maakte die meteen open.
"Jaja, jouw portemonnee. Heet je voortaan Miranda Hofman?"
En daar ging Stanley's razendsnelle hand.
Hij was op hoogte van de straatverlichting. Hij zag het schitteren. Zo mooi was het eerder nooit geweest. Dat felle licht tegen dat donkerbruin van de stadslucht. Die vage lichtstralen die telkens anders in zijn ogen vielen. Zijn handen, zijn schoenen en kleding: alles baadde in dit licht.Schoon, nog zuiver en schoon voor...
Hij zag niets onder zich; zijn ogen keken omhoog. Als zijn rug nu eens kon kijken. De straten waar hij zo vaak op gelopen, gefietst, gebromd had en met pech had stilgestaan. Want hij woonde hier al lang en had het naar zijn zin. Onder zijn rug de fijn egaal verharde parkeerplaats. 's Zomers rolschaatsten ze er altijd op. Lekker glad. Als hij toch nog kind was geweest. Maar nee.
Een koude angst was haast onmerkbaar in zijn hoofd geslopen. Die bevroor gedeeltelijk zijn gedachten. Maar hij verzette zich daartegen. Uit alle macht. En de straatverlichting maakte schaduwen op zijn lichaam. Hij werd steeds meer schaduw. En er was al niets meer te horen van Stanley en Micha.
"Weet wat je doet, Stan."
"Dat weet ik heel goed. Als jij dat nu ook eens wist."
Zijn ogen waren strak gericht op het gat in de revolver waar de kogel uit kon komen. En miljoenen vluchtpogingen uit boeken en films ratelden door Joachim's hoofd. Nu was het werkelijkheid. Dit was een boek. Maar welk?
"Nokken."
"Die portemonnee!" en ineens was zijn hand bij de revolver. Hij sloeg het ding uit Stanley's handen en nog voor die het besefte, had Joachim hem stevig in zijn armen vastgeklemd. Ja, zo ging het in dat boek.
"Laat me los!"
Maar het onmogelijke was waar: Joachim's armen waren op slot. Alsof ze daar altijd gezeten hadden. Hij wist niet meer los te laten. Het was ondoenbaar.
Dan een derde kracht. Eerst het tegenstribbelen van Stanley, waarop de wonderlijke houdgreep van Joachim en nu de nieuwe: een lompe sleur, een ruk en het slot was gebroken. Stanley was los en Joachim werd ruw omgedraaid. Diepliggende ogen zwart als de nacht keken hem aan. Zwarte stekels op zijn hoofd als messen. Micha.
"Jij weet teveel," zei hij en dat was alles.
pepé: lettermenger.
[1992]
Geen opmerkingen:
Een reactie posten