woensdag 13 juni 2012

Haar rivier.

Het water van de rivier stroomt aan haar ogen voorbij. Zo lang al zit zij aan zijn oever te kijken, dromen, smachten. Haar hoop, dat haar kostelijke rivier net zo veel van haar houdt als zij van hem. Dat zijn liefde zo sterk is, dat hij zijn bedding zal verleggen, enkel om haar. Dan zal hij haar meenemen, schoonwassen, haar alles laten zien wat er te zien is. Ze heeft er zo vaak over gefantaseerd.

Dag en nacht zit zij bij haar geliefde. Stoer en koelbloedig stroomt hij aan haar voorbij. En zij, zij zingt hem toe en grient: "Och, zie mij dan, mijn liefdesstroom, negeer mijn hierzijn niet. Aanhoor mijn liederen die ik zing voor jou en jou alleen."

Maar de rivier is kil en baant zijn uitgesleten zelfde weg, zijn eigen eeuwige levenslied zingend. Het houdt haar aandacht vast. Even twinkelt hij in haar ogen en direct vangt dat haar blik. Maar hij twinkelt niet om haar, nee, hij twinkelt. Hij zingt geen lied voor haar, nee, hij zingt. En toch wil zij niets meer dan bij hem zijn. Maar o! Hoe graag zag zij haar liefde toch beantwoord. Al zou hij maar een stukje, nog geen meter, zijn weg haar richting op verleggen...

Jaren stromen voorbij, honderd seizoenen. Haar liefde even sterk. De rivier volgt nog steeds de zelfde bedding. Zij heeft wel duizend liedjes aan zijn zij verzonnen, waarvan ze er sommigen bij regelmaat zingt. Er is er één waar ze de dag sinds jaar en dag mee sluit, vaak met tranen gepaard gaand:


Vanochtend was je zilver
en tjilpte met de mussen,
waste mijn ogen wakker
en wist mijn slaap te blussen.

Toen 't middag werd was je klaar,
ik kon je ziel aanschouwen
en zag dat ik ook je diepste
dieptes kon vertrouwen.

De namen aller namen
ken jij van bron tot zee.
Toe, neem mij in jouw armen,
neem mij toch met jou mee.

Bij 't schemer werd jij duister,
zo diep en mysterieus,
ik, aan jouw stroom gekluisterd,
ik heb en wil geen keus.

En 's avonds werd je rustig,
schonk kalmte ook aan mij,
je kibbelde zo zachtjes
je golfjesvlijerij.

De namen aller namen
ken jij van bron tot zee.
Toe, neem mij in jouw armen,
neem mij toch met je mee.

Nu is het nacht, mijn lieve,
maar jij bent nimmer moe.
Ik leg m'in jou te rusten,
jij stroomt mijn ogen toe.


Honderd seizoenen stroomt hij haar ogen toe en 's ochtends vindt zij vaak 't rivierzout in de hoeken van haar ogen. Op een morgen voelt zij dat de dag een andere is dan alle voorgaande. Hangt het in de lucht? Zingen de vogels een andere melodie? Tijd voor een wisseling van jaargetij is het niet. Is het haar grote liefde? Heeft hij zich eindelijk naar haar toe verschoven? Wordt haar geduld ten slotte dan beloond? Zal zij zijn frisheid voelen aan haar tenen?
Zij staat op en kijkt van horizon naar hier en nog verder, naar waar hij van haar weggaat, maar nee, hij stroomt zoals hij altijd al deed. Het moet iets anders zijn.

Dan voelt zij het. Inderdaad zijn het niet de vogels. 't Is ook niet de lucht, nee, zelfs niet haar rivier. Het is een verandering bij haar van binnen. Ze voelt het niet, ze hóórt het. Het is een stem. Hij roept: "Duik in mij, blijf niet op mij wachten. Ik was je haren, was je huid en ziel. Ik zal je geven wat je mag verwachten en meer dan dat, mijn lief waarvoor ik kniel."
Zij weet, het is zijn stem niet, maar de woorden zijn precies die, die zij altijd verlangt dat hij haar zegt als hij zou kunnen spreken. Dus staat zij op en loopt haar liefde in.

Het water van de rivier stroomt haar ogen in. Dan opent zij haar mond en ook daar vindt de stroming zijn weg. Zij heeft zo lang al aan zijn oever zitten kijken, zitten dromen, zitten smachten. Haar hoop, dat haar kostelijke rivier net zo veel van haar zal houden als zij van hem. Dat zijn liefde zo sterk is, dat hij zijn bedding zal verleggen, enkel om haar. Dan zal hij haar meenemen, schoonwassen, haar alles laten zien wat er te zien is. Ze heeft er al zo vaak over gefantaseerd.

Nu is zij in hem en hij in haar. Zij laat zich door zijn stroom volledig vullen. Eerst haar mond, 't stroomt koel langs haar tanden, spoelt fris over haar tong, vindt vervolgens nieuwe banen in haar keelgat. Zij drinkt hem gulzig, als na te lange dorst. Haar maag en darmen, alles in haar vult zich met het water van haar grote rivier-lief. En vijfentwintig smachtend-droge jaren worden gelaafd naar volle hartelust. Van zijn kolkende vocht kan zij geen genoeg meer krijgen, zij drinkt en drinkt in opperst geluk en hij stroomt door en door.

Haar keelgat vol vult zijn water ook haar longen, verdrukt haar lucht en koelt er iedere cel. Zo gaat zij in haar grote lief ten onder, gelukkiger is zij toch nooit geweest. Want welke andere minnaar geeft zich zo gans, zonder remming aan diegene die om diens liefde vraagt? Niemand dan hij met de namen aller namen, die het zijn kent van de bron tot aan de zee. Nu draagt hij haar, na honderd seizoenen, in zijn armen eindelijk met zich mee.



pepé: lettermenger.
[2003]

Geen opmerkingen:

Een reactie posten