Over een zesjarig jochie
De schooldag was alweer enkele uren voorbij, aan de eettafel was het rustig geweest vanavond en hij, hij moest er voor zijn gevoel weer veel te vroeg in. De hele dag was iets met hem mee gegaan. Niet dat het hem had dwars gezeten, ook niet dat het hem nou zo duidelijk was opgevallen, het was er en hij had het ergens wel gemerkt, maar omdat het geen invloed leek te hebben gehad op zijn manier van doen en denken, had hij het ongestoord overal mee heen laten gaan.
Als het niet iets maar iemand was geweest, had het bijvoorbeeld een leeftijdgenoot kunnen zijn die de hele dag meewandelde zonder te vragen om uitleg of enige andere vorm van aandacht. Met andere mensen erbij drong zijn gezel zich nimmer op in het gesprek, zat hij bij wijze van spreken van zijn appeltje te eten en voor zich uit starend mee te luisteren bij het gesprek wat de rest met elkaar voerde. Uiteindelijk zou hij een soort vanzelfsprekende gezel zijn geweest, waar hij aan was gaan wennen, aan gaan hechten wellicht.
Na de avondmaaltijd en een uurtje televisie kijken met z’n vieren werd hij door zijn moeder naar zijn bed gebracht, ingestopt en welterusten gekust. Ook thuis was de onopvallende vijfde erbij gebleven, maar niemand had acht op hem geslagen. De avond was ongeveer als elke andere verlopen. Alleen, met zijn moeder en hem was nu ook de gezel mee de trap op gelopen, misschien wel mee in zijn bed gekropen en toen moeder hem zoende was het alsof ze daarmee ook zijn gezel een nachtkus gaf.
Nu zijn hem zoveel woorden gegeven waardoor hij bijna is gaan leven, maar zoals geschreven, ook voor hem was hij er de hele dag dan wel geweest, maar puur op een niveau van onbewust beleven, had hij er geen gedachte aan gegeven, laat staan het zo omschreven. Het was een alledaagse dag die ook als alle dagen eindigde met moeder’s kus. Wie had dan kunnen denken dat zijn gezel hem die zelfde nacht zijn keel probeerde dicht te knijpen?
Hij was van iets wakker geworden. Misschien dat zijn lichaam hem had gewaarschuwd. Misschien ook meer dan dat alleen. Bij het ontwaken leek de kamer leger dan eerder. Vanaf zijn bed leek de gehele ruimte gevuld met stralend indigo. Het was stikdonker, maar elk meubelstuk, ieder object in de kamer en de kamer zelf straalden van in duisternis gehulde aanwezigheid. Stond zijn bed in een hoek geplaatst, nu was het het centrale punt van de kamer. Alsof het universum hem daar omsloot, zag hij zijn bed nu in een oneindig landschap van indigo staan, waardoorheen de vormen van zijn kamer zich nog vaag uittekenden.
Waren het zijn eigen ogen die waarnamen? De muren die niet omvielen, hoe stevig ze ook staan bleven, hadden nu toch een deel van hun bestaansbewijs opgegeven. Hoe het kan dat juist wijdsheid zo benauwt? Een dikke donkerblauwe deken had zijn zwijgende gezel met overweldigend stille liefde om hem heen gewikkeld, waarin hij zeker was bezweken als zijn moeder niet naar hem had gekeken.
Als alle geluid tegelijkertijd zou weerklinken, zou een mensenoor het dan nog horen? Of zou het klinken als de stilte? Hoe klinkt hierin je eigen hardste schreeuw? In zijn oren was zijn roep om moeder een hese fluistering, volledig ingestopt gedempt. Daarbij gaf zijn eigen keel hem amper ruimte voor de lucht waar een schreeuw om vroeg. Dat de wind over de velden zijn stem dan toch nog helemaal naar zijn moeder droeg mag een wonder of de bedoeling wezen.
Niet per sé hij had om zijn moeder geroepen. Ja, het leek inderdaad zijn lijf die hem had doen wakker worden en “Mama!” had doen roepen. Als bij verstoppertje spelen had hij nu zijn eigen lichaam betrapt. Zoals Sinterklaas Meneer Holtermans bleek, zoals de slaapkamermuren door het indigo heen schenen, zo had hij daar en toen iets gezien wat anders was dan dat hij er eerder naar keek, dan hoe hem was verteld ernaar te kijken.
Toen het licht werd toonden de slaapkamermuren hun helwitte bestaansrecht ogenschijnlijk met dubbele kracht. Hij was ziek, vertelde de dokter aan zijn moeder. Pseudo-croup. Zijn medicijn rook naar bananen. Dat moest de smaak van chemicaliën verstoppen. Iedereen die op bezoek kwam wist precies wat ze moesten doen met hem, al had niemand hem erom gevraagd. Hij was zielig, dus werd hij met ochs en achs en ansichtkaarten overstelpt. Alles in hun doen was omwikkeld met zorg voor de gezondheid van zijn lijf. Ondertussen raakten ze met z’n allen constant iets niet aan en hun toon verraadde het weten van het bestaan. Hij had ze ook zo horen spreken op verjaardagen als ze over iets aan het praten waren wat niet bestemd was voor zijn oren. Bij het veranderen van onderwerp na het bemerken van zijn aandacht was dit hun zelfde toon. Was het angst voor dat indigo?
Goed, het was dus zo hoe je moest verder leven, door muren en bananensmaak omgeven. Goed, schaar dit als je wil onder de bijna dood ervaringen. Achttien jaar later ervoer deze zelfde jongen een -noem het bijna levend ervaring…
pepé: lettermenger.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten